Ka redt het vandaag niet meer

“Joh, ik plak je band morgen wel”, zegt De Man. Hij kan dat. Maar hij heeft geen tijd. En ik heb mijn fiets hard nodig. Ook mijn vader biedt zijn bandenplakkunst aan. Ik schud mijn hoofd. Ik vind ik dat je de fietsenmaker ook zijn brood moet gunnen. Ik regel het zelf wel. Komt goed. Dacht ik.

Ik pomp mijn achterband op met dat te kleine fietspompje, spring op het zadel en trap als een malle naar de fietsenmaker. Dat moet snel, anders is mijn band weer leeg. Badend in het zweet overhandig ik mijn fietssleutel aan de man die mijn band gaat fiksen. Ik doe boodschappen. Uiteraard koop ik veel meer dan ik van plan was. De tas is te zwaar om helemaal naar huis te lopen en ik besluit mijn lijf een plezier te doen met een ritje met de trein. Eén halte maar. Ik stap in met in mijn linkerhand een zak appels van twee kilo, en in mijn rechterhand een tas van honderd kilo. Zitten doe ik niet, ik ben er immers zo. Dacht ik.

Ik zie de trein heel hard voorbij het station gieren waar ik eruit moet. Geen nood, denk ik, stap ik in Weesp uit en ga ik weer terug. Dacht ik. Ook dit station dendert de trein vrolijk voorbij. Ik zucht. Heel diep. Want dit betekent dat ik nu richting Amsterdam Centraal sjees. Tot mijn grote schrik zie ik dat mijn bloedjes over een half uur op het schoolplein staan, gierend van de honger en klaar voor de woensdagmiddag. Dat red ik niet. Ik ben nooit in een half uur weer thuis. Ik bel opa en vraag hem of ik zijn aanbod in het plakken van mijn band mag omzetten in het opvangen van de mannen. Opa springt op zijn fiets en wacht op het schoolplein.

Als ik in Amsterdam ben, spring ik uit de trein en sjouw mezelf en mijn loodzware tas naar een koffietent, bestel een cappuccino en tijger weer naar het perron. Ik ben een half uur van huis verwijderd. Ik had al anderhalf uur thuis kunnen zijn. Als ik mijn fietsenmaker app, zegt ie mij dat mijn band geplakt is. Goed nieuws. Ik kan mijn fiets gelijk ophalen.

Voor nog geen tien euro ben ik weer koning. Ik slinger mijn zware tas in mijn krat, zwaai naar de fietsenmaker en trap naar huis. Alles weer geregeld. Dacht ik.

Ik ben bijna thuis. Bijna. Ik voel wat. Nee. Zeg me dat het niet waar is. Het is wel waar. Mijn achterband is zo plat als een dubbeltje. Ik maak een foto van de treurige, platte band om naar de fietsenmaker te appen. Hij vraagt waar ik ben. Niet veel later komt hij aan, met een leenfiets. Mijn stalen ros neemt ie mee. “Vandaag red ik niet meer hoor”, roept hij me na. Ik schud mijn hoofd. Ik red vandaag ook niet meer.

Karin van Leeuwen (44 jaar) schrijft vanuit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook