Toen haar dochter Jessie vertelde dat ze zwanger was, kon Christine haar geluk niet op. “Ik weet nog dat ik meteen begon te huilen,” vertelt ze. “Oma worden… dat voelde als een nieuwe fase. Iets waar ik zó naar uitkeek.” In haar hoofd zag ze het al helemaal voor zich: oppasdagen, wandelingen met de kinderwagen door het dorp, samen naar de speeltuin en later misschien zelfs logeerpartijtjes in Zeeland.
Jessie woont echter met haar vriend Karel in Amsterdam. Ze werken daar allebei, hebben er hun vrienden, hun favoriete koffietentjes en inmiddels ook een koopwoning. “Ik had stiekem gehoopt dat ze misschien de stad uit zouden willen,” geeft Christine eerlijk toe. “Meer rust, meer ruimte. En ja… dichter bij mij.” Maar die hoop bleek ongegrond. Jessie en Karel zijn stadsmensen en waren niet van plan om te vertrekken.
De andere oma om de hoek
Wat de situatie extra gevoelig maakt, is dat Karels moeder, Chantal, letterlijk om de hoek woont. Ze is met pensioen, was vroeger lerares en sprong meteen bij toen Alaya werd geboren. Twee vaste oppasdagen per week. Toen Alaya naar school ging, werd dat niet minder: Chantal haalt haar twee middagen per week op, gaat mee naar zwemles en kookt regelmatig voor het gezin. “Ze eten twee keer per week samen,” vertelt Christine. “Ze zijn echt onderdeel van elkaars dagelijks leven.” Christine en haar man wonen in Zeeland, ruim twee uur rijden van Amsterdam. Zij werkt nog gewoon en kan dus geen vaste oppasdag aanbieden. Even spontaan langsgaan voor een kop koffie zit er ook niet in. “Het is altijd plannen, altijd een hele reis.”
Het verschil is voelbaar
Alaya is inmiddels vier jaar en zit op school in de buurt van haar ouders. De band met oma Chantal is ijzersterk. “Ze ziet haar meerdere keren per week,” zegt Christine. “Dat bouwt natuurlijk iets op.” Christine begrijpt dat rationeel wel, maar emotioneel is het een ander verhaal. Op verjaardagen of met Sinterklaas, wanneer beide oma’s aanwezig zijn, merkt ze het verschil. “Alaya trekt automatisch naar Chantal toe. Ze pakt haar hand, gaat naast haar zitten, kruipt bij haar op schoot.” Christine probeert dan luchtig te blijven, maar soms komt de klap hard aan. “Laatst zei ze letterlijk: ‘Ik wil niet bij oma Chrissie! Ik wil bij oma Chantal!’” Ze slikt even voordat ze verder praat. “Dat doet zó veel pijn. Het is maar een kind van vier, maar het komt recht binnen.”
Geen eerlijke strijd
Christine voelt zich soms alsof ze een wedstrijd speelt die ze nooit had willen aangaan. “Het voelt niet eerlijk,” zegt ze. “Chantal heeft het voordeel van nabijheid. Ze is onderdeel van het dagelijks ritme. Ik zie Alaya één keer per maand, als het lukt.” Ze weet dat liefde niet in frequentie gemeten moet worden, maar toch knaagt het. “Ik ben ook haar oma. Ik hou net zo veel van haar. Maar ik sta 2-0 achter nog voordat ik begin.” Jessie probeert haar gerust te stellen. “Mam, het is gewoon praktisch zo gelopen,” zegt ze dan. En dat klopt ook. Maar dat maakt het gevoel niet minder.
Verhuizen naar Amsterdam?
De afgelopen maanden speelt er een gedachte door Christines hoofd die ze bijna niet hardop durft uit te spreken: wat als wij naar Amsterdam verhuizen? “Dan kan ik dichterbij zijn. Misschien ook een vaste dag oppassen. Gewoon meer onderdeel zijn van haar leven.” Voor haar voelt het logisch. Ze wil investeren in die band zolang Alaya nog klein is. “Straks is ze tien en heeft ze haar eigen leven. Dan is het moment voorbij.” Maar haar man ziet het totaal anders. “Hij vindt het onzin,” zegt Christine. “Hij heeft hier zijn werk, zijn vrienden, zijn voetbalclub. We wonen prachtig in Zeeland. Waarom zouden we alles opgeven omdat een kind van vier nu een voorkeur heeft?” Dat maakt het ingewikkeld. Christine voelt een sterke drang om dichterbij haar kleindochter te zijn, terwijl haar man vooral stabiliteit en realisme ziet.
Twijfel aan zichzelf
Soms vraagt Christine zich af of ze het niet te groot maakt. “Misschien is dit gewoon hoe het loopt als je ver weg woont,” zegt ze. “Misschien moet ik accepteren dat mijn rol anders is.” Ze probeert er te zijn op de momenten die ze wél heeft. Logeerweekenden in de vakanties, samen koekjes bakken als Alaya bij haar is, wandelingen over het strand in Zeeland. “Dan is ze ook echt blij,” zegt ze. “Dan roept ze: ‘Oma, kijk!’ en pakt ze mijn hand.” Maar zodra ze weer terugrijdt naar Amsterdam, voelt ze de afstand opnieuw.
Jaloezie of gemis?
Christine noemt het geen jaloezie. “Ik gun Chantal die band,” benadrukt ze. “Het is fantastisch dat Alaya zo’n betrokken oma heeft.” Wat ze voelt, is eerder gemis. Een verlangen om vanzelfsprekend te zijn in het dagelijks leven van haar kleindochter. Ze vraagt zich af: moet ik mijn leven omgooien voor dit verlangen? Of moet ik leren accepteren dat mijn rol anders, maar niet minder waardevol is?
Wat is wijsheid?
Ze wil geen druk leggen op Jessie. “Ik ga haar echt niet vragen om te verhuizen,” zegt ze. “Dat is hun leven.” Maar diep vanbinnen worstelt ze met de gedachte dat afstand altijd een rol zal blijven spelen. En haar man overtuigen om naar Amsterdam te verhuizen? “Ik weet niet eens of ik dat moet willen,” zucht ze. “Straks doe ik het en verandert er niks.” Christine weet één ding zeker: de woorden “Ik wil niet bij oma Chrissie” blijven in haar hoofd echoën. Ze begrijpt dat het een kinderuitspraak is, zonder kwade intentie. Maar voor haar voelen ze als een bevestiging van haar grootste angst: dat ze op afstand staat, letterlijk en figuurlijk. Wat zou jij haar adviseren? Moet ze haar leven omgooien om dichter bij haar kleindochter te zijn? Of zit de oplossing niet in kilometers, maar in het accepteren van een andere, misschien minder zichtbare, maar net zo liefdevolle rol als oma?
Afbeelding: Freepik
