Waargebeurd: Erna (42 jaar) leeft al vijf jaar op straat

Tweeënveertig is ze nu. En nee, ze had nooit gedacht dat ze op straat zou belanden. Dat ze geen dank meer boven haar hoofd zou hebben. “Het is me overkomen door een opeenstapeling van pech en ellende. Maar heb geen medelijden met me, nergens voor nodig. Ik red me wel.” Erna leeft al vijf jaar op straat.

Op een bankje in het Vondelpark, vertelt ze haar verhaal. Ze bietst een sigaret van een toerist. “Lukt altijd. Als je het maar vriendelijk vraagt.” Ze heeft een open, vriendelijk gezicht. Lachende ogen. Door haar ex leeft zij op straat. “Zijn handjes zaten los. Hij dronk veel en werd dan agressief. Minimaal drie keer in de week sloeg hij mij.”

Als Erna het niet meer trekt, pakt ze een tas met kleding en vlucht naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis. Daar voelt ze zich veilig. Ze verblijft er zes maanden. Als ze afspraken niet nakomt, moet ze de opvang verlaten. “Ik wil niet uitweiden over wat er is gebeurd, maar het is mijn eigen schuld. Ik hield me niet aan de regels en zo verspeelde ik de kans op een woning en mijn verblijf daar.”

Twintig euro

Sindsdien leeft Erna op straat. Ze checkt prullenbakken op etensresten. Ze is verbaasd over wat mensen allemaal weggooien. “Soms vis ik een bijna nog vol flesje cola uit de bak. Dat zijn dagen met een gouden randje.” Ze slaapt soms bij mensen die ze ontmoet op straat, in kraakpanden, dan weer onder een brug en in de winter mag ze overnachten in een opvang. “Maar daar mag je geen alcohol drinken en dat doe ik wel.” Geld voor drank krijgt ze door het verkopen van de Amsterdams Straatkrant Z! en bedelen, al weet ze dat dat niet mag. “Vaak geven mensen mij gewoon geld. Laatst kreeg ik van een man twintig euro. Twintig! Ik wist niet wat me overkwam. Ik heb er drank voor gekocht en samen met andere daklozen opgedronken.”

Niets te verliezen

Bang is Erna nooit. “Wat is nou het ergste wat me kan gebeuren? Ik heb niets te verliezen. Er valt niets bij me te halen. Eigenlijk slaap ik nooit echt alleen buiten, meestal lig ik in de buurt van andere daklozen. In Amsterdam ken ik ze bijna allemaal.”

Haar ex heeft ze laatst zien lopen in de stad. Hij zag haar niet. “Ik schrok toen ik hem zag. Ik keek de andere kant op. Ik keek hem na, en dacht: wat ben ik blij dat ik van hem af ben.” Dolgelukkig is ze dat ze geen kinderen met hem heeft. De plannen waren er wel. Erna huivert. Vraagt zich af wat er van haar kinderen terecht had moeten komen. “Dat regelt hij,” wijst ze naar boven, “hij houdt ons in de gaten. Behoedt ons voor rampen. Ik voel dat hij mij beschermt. Ik heb een rotsvast vertrouwen in Hem.”

Toekomst

Hoe de toekomst eruit ziet, ze heeft geen idee. “Ik hoop dat ik een huisje voor mezelf krijg en dat ik werk kan vinden. Ik werkte als caissière in een supermarkt en had daar veel plezier in. Het contact dat ik met mensen had, vond ik leuk. Ook nu zorg ik ervoor dat ik dagelijks een praatje maak met mensen. Dat geeft je tenminste het gevoel dat je leeft.”


Reageer ook