Ka wordt waanzinnig in de Ikea en komt maar moeizaam in het gareel

Als die dinsdag de zon opkomt, de vogels nog schor fluiten en een hert stokstijf blijft staan, breekt het zweet me opeens uit. Snel bedenk ik de kortste route naar huis. Ik trap stevig door. In mijn hoofd razen mijn ogen over het do to-lijstje. Ik zeil de poort door, zet mijn fiets neer en loop linea recta naar boven naar het bed waarin mijn jongste diep onder zijn sterren dekbed ligt. Ik kus hem wakker, hij zegt dat ‘ie van me houdt. Week 8 van de coronacrisis is begonnen.

Hij kreunt. Zucht. Zegt dat ‘ie niet gaat. Gewoon niet. Dat de meester het kan uitzoeken. “Wat wil je op je brood? Pasta? Oke, zie je zo beneden, Kontje.” Als ik thee inschenk voel ik zijn warme lijfje tegen me aan. Ik draai me om, geef een kus in zijn coronakapsel en vraag hem waar zijn brooddoos is. Hij haalt zijn schouders op en sloft gapend naar de bank. Driftig haal ik een keukenkastje leeg. En nog een. Ik kijk in de kelderkast, kieper een tas om maar vind niet wat ik zoek.

Het is alweer acht weken geleden dat ik stijf op de bank zat en met open mond naar de tv staarde en Rutte mij en het volk vertelde dat we moesten thuisblijven. Niet naar het werk, geen school. Het idee 24/7 met z’n vieren in huis te blijven vond ik weinig aanlokkelijk en leek me een onmogelijke missie. Maar wat zat ik er naast: tegen alle verwachtingen in hield ik me staande in de man-cave en leerde al snel hun taal en codes.

“Kan ik zeventien euro van je lenen? Dan kan ik dit bureau kopen.” Bob duwt zijn mobiel onder mijn neus en wijst. Zijn ooit babyblauwe kamer verandert langzaam in een pubergrot. Als ik een blik werp op zijn overvolle prullenmand, zie ik dat het scheiden van afval volledig langs hem heen is gegaan. Dat de planten in zijn raam water nodig hebben en dat degene die deodorant heeft uitgevonden een lintje moet krijgen, heeft ook niet echt zijn aandacht. Ik ga op het randje van zijn bed zitten en staar naar de aardappel die maar niet wil uitlopen. “Fascinerend he mam?” grijnst mijn puber, “weet jij toevallig wanneer ik biologie kan skippen? Gaan we?”

Ik kijk opzij naar mijn oudste. Hoewel ik me had voorgenomen geen warenhuis in coronatijd te bezoeken, geef ik gas naar de Ikea. En eenmaal binnen  krijg ik een tsunami van koopimpulsen over me heen. Als een waanzinnige duw ik de kar door de Sparsam, Smörboll en Benno’s. Ik wil afwasborstels in alle kleuren die er zijn, zes pakken letterbiscuit en ik wil glazen met flamingo’s die ik niet nodig heb. Bob schiet elk impuls genadeloos af. We schuiven het bureaublad, de poten en het ladekastje in de achterklep. Zes keer heb ik mijn handen gewassen, drie keer overtrad ik de anderhalvemeter-regel en een keer vergat ik in mijn elleboog te niezen. Ik ben kapot.

Ik vloek. Dinsdagochtend en over tien minuten moet Tommie op school zijn. Als een zombie zit ‘ie op de bank, het ochtendgareel zwaar ontwend. Ik pook hem op. Aankleden. Tandenpoetsen. Tas pakken. Opeens staat hij achter me, met in zijn hand zijn brooddoos.

De lucht die eruit komt is niet te harden. Het brood van acht weken terug is een heel eigen leven gaan leiden. Ik rol met mijn ogen, mik de broodtrommel in de kliko, schuif het stapeltje brood in een plastic zakje.

Een iets minder strakke lockdown. Het is even wennen.


Reageer ook