Ka weet niet of ze daarboven een Walibi hebben

Ik hield hem in mijn handen, die kleine Tom. Zes maanden was íe, een zachte, roze baby. Hij kraaide als hij mij zag. Greep met zijn handjes naar mijn haren, trok er aan. Liet niet los. Hij had mij nodig. Was nergens zonder mij. Mijn hart stroomde over van moederliefde. Bob was inmiddels twee. Had in vergelijking tot zijn broertje handen als kolenschoppen. Enorm grote billen ook.

Ik probeerde alles van baby Tom te onthouden. Drukte mijn neus in zijn nekje, rook zijn luchtje, uniek net zoals die van Bob. Nog steeds ruik ik het af en toe. Ik brandde de kleine teentjes op mijn netvlies, opdat ik nooit zou vergeten.

De tijd verstreek, Tom werd een jaar. Was geen baby meer. Ik vond het genoeg, twee van die mannen. Realiseerde me dat ik nooit meer zo’n kleine kabouter van mezelf in mijn armen zou hebben. De mannen werden groter. Zelfstandiger. Kregen een eigen mening, ontwikkelden humor.

En we hebben tegenwoordig interessante gesprekken. Vooral als we in de auto zitten. We praten dan over dat liedje van Justin Timberlake dat we kapot cool vinden. Of over waarom sommige kinderen op school worden gepest. Van de week sneden we out of the blue het onderwerp dood aan. Doodgaan. Er niet meer zijn. Waar ben je dan? Wat gebeurt er dan? Op veel vragen heb ik geen antwoord. Maar wel een idee. Ik denk namelijk dat als ik peiger dat mijn ziel, evenals de zielen van anderen, naar boven gaat. Dat ze in clubgebouw Zielsgelukkig met z’n allen zitten te kaarten. Hun leven op aarde doornemen. Verliefd worden. En als het weer tijd is, terug naar aarde gaan om een volgend leven te leven. Met dit verhaal kunnen mijn mannen wel wat, zeggen ze.

Mijn kleinste had nog wel wat bedenkingen. Was er niet helemaal gerust op dat die ziel echt uit dat lichaam was op het moment dat het die bloedhete oven werd ingeschoven. Of in de grond werd geschept. Daar ik niet echt een antwoord op. Bob begon ook wat te twijfelen. Vond dat hele doodgaan toch wel een toestand. Eigenlijk, zo bekende hij, was hij bang om dood te gaan. Ik vroeg waarom. Was hij bang voor pijn? Vond hij het onverteerbaar om ons nooit meer te zien? Hij schudde zijn hoofd. Nee, dat was het allemaal niet.

“Weet je wat me nou zo kapot rot lijkt mam, dat jij ons had beloofd dat we naar Walibi zouden gaan en dat ik dan net dood ga. Ik weet niet of ze daarboven ook een Walibi hebben.”

Van dat soort gesprekken kan ik geen genoeg krijgen. Het antwoord op de vraag van mijn oudste heb ik niet. Ik kan alleen maar hopen dat ze daarboven geen Walibi hebben…

Karin van Leeuwen (44 jaar) schrijft vanuit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook