Ka weet inmiddels alles van Kapitein Onderbroek

Ik weet nog goed hoe ik erbij zat. De zon prikte in mijn rug. Achtenveertig ogen waren op mij gericht. Mijn mond was droog, mijn handen nat. Een verfrommeld spiekbriefje lag op het bureau waaraan zojuist nog de meester had gezeten. Ik schraapte mijn keel. “Mijn spreekbeurt gaat over…. onze poes.”

Als verlamd staarde ik de klas in. “Kijk de kinderen niet aan, maar richt je blik op een punt op de muur,” adviseerde mijn oma. Hoe kon ik mijn klasgenootjes niet aankijken als ze wel met z’n allen naar mij staarden? Ik werd nog nerveuzer dan ik al was. “Poezen hebben zeven, eh, nee, negen levens,” begon ik mijn spreekbeurt stamelend. Ik worstelde me door het kwartier heen, kakelend over poezen, snorharen en spinnen. Liet kattenbrokjes en het boek waarin plaatjes stonden de klas rondgaan. Ik kreeg een 8 van de meester en liep opgelucht terug naar mijn tafel.

Nog steeds ben ik geen voorstander van in het middelpunt staan. Om een grote groep mensen toe te spreken. Kleine groepen trouwens ook niet. Hoe anders is dat met mijn mannen. Vanaf het moment dat ze in de kleutergroep zijn beland, leren ze zichzelf presenteren. Bob had in groep 4 zijn eerste boekbespreking. In groep 4! Hij was toen zeven jaar. De juf filmde hem en zo zag ik hoe mijn bikkel ontspannen over het boek Dolfje Weerwolfje vertelde. In zijn ene hand hield hij zijn boek vast, zijn andere hand zat nonchalant in zijn broekzak. Ik was ontroerd maar wist ook dat hij het kon. Verlegen komt in zijn juniorwoordenboek niet voor.

Hij ligt in bed. De Minion-nachtlamp schijnt op het boek Kapitein Onderbroek. “Slaap je nog niet, lieve schat?” vraag ik. Tommie schudt zijn hoofd. Over twee weken heeft hij zijn allereerste boekbespreking. Hij is bloednerveus. Wil het zo graag goed doen. Is bang om te falen. Ik ga op het randje van zijn bed zitten. Schuif zijn slaapmuts uit zijn ogen. Spreek hem moed in en beloof dat ik hem help.

Kapitein Onderbroek

De dag dat ie moet, nadert. “Hallo allemaal, ik heb het boek Kapitein Onderbroek gelezen en daarover ga ik jullie vertellen,” begint hij. Bob en ik fungeren als ‘de klas’ en kijken hem verwachtingsvol aan. Hij vat het verhaal samen, vertelt wie de hoofdpersonen zijn en gaat een stukje voorlezen. Zijn stem wiebelt. Hij slikt. Ik hoor hem lange woorden in stukjes hakken. De door de wol geverfde Bob geeft zijn broertje tips. “Af en toe even opkijken van je boek, Tommie, dat wil de juf. Krijg je een hoger cijfer,” weet hij. Dapper leest mijn kleinste door. “Trieee-om-vanteluk,” spelt hij. Zijn broer zucht. “Het is triomfantelijk,” verbetert hij streng. Steeds weer breekt Tom zijn tong over het woord. Maar ook superioriteit en de naam Zorxette blijven lastig.

Bob en ik weten na een week alles van Kapitein Onderbroek en zijn blij als de grote dag is aangebroken. Met een doorzichtig gezichtje stopt Tom het boek in zijn rugzak, haalt diep adem en fietst naar school.

’s Middags als hij thuiskomt vliegt hij me om mijn nek. De hug die ik krijg, is groter dan andere dagen. Een tien min heeft hij van de juf gekregen. De min omdat hij te snel las. “Maar alle moeilijke woorden gingen goed. Weet je wat gek was? Er stond geen trieee-om-vanteluk meer in het verhaal, er stond nu trots.”

Moeder zijn betekent ook het leven van je kind iets minder ingewikkeld maken.


Reageer ook