Ka vindt het snel gaan

Toen ik acht jaar geleden een wolk van een zoon in mijn armen hield, de hormonen nog meer gierden dan ze al deden en ik me krampachtig aan die roze wolk vastgreep zei een collega: “Geniet er maar van.” Met wallen op mijn knieën en een verruïneerd lichaam stond genieten niet helemaal op de eerste plaats. Overleven. Dat was met stip nummer een. “Want”, zo wijsneusde de collega verder, “vanaf nu loopt ie alleen maar van je af.” Ik keek naar het hompje mens in een luier en dacht: ‘die loopt voorlopig helemaal nergens heen’. Om een discussie te vermijden, knikte ik.

Toen de tweede boender werd geboren, begon ik van voor af aan. Het feit dat ik een baby van twee weken nog niet kon neerzetten, was even wennen. Zijn twee jaar oudere broer, nam steeds de benen. Mijn handen vol had ik aan die twee.

Ik verlangde naar tijd voor mezelf. Dat ik gewoon even niets hoefde te zeggen. Niets hoefde op te lossen. Een boek kon lezen. Daar dachten die twee monstertjes heel anders over. Met Liga-handen smeerden ze mijn broek onder. De keren dat ik met vlekken in mijn kleding op mijn werk verscheen, zijn niet te tellen. Kwijlplekken op mijn schouder. Hard geworden Liga op mijn knieën. Ik haalde mijn schouders er maar over op. Stond volledig in de overlevingsstand.

Inmiddels ben ik acht jaar verder. En heb ik weer tijd voor mezelf. Mijn boenders pakken hun fiets, zwaaien, en vertrekken. Naar het voetbalveld. Naar hun vrienden. Laatst zag ik ze terwijl zij dat niet wisten. Mijn oudste pakte het fietsje van mijn jongste, mijn jongste klom achterop, klemde zijn handen stevig om de middel van mijn oudste en daar gingen ze. Op naar nieuwe avonturen. Het ontroerde me. En ik dacht: wat gaat het eigenlijk toch snel.

Nadeel van die enorme zelfstandigheid is dat ze nooit thuiskomen als ik dat wil. Omdat we bijvoorbeeld moeten eten. Of weg moeten. Driftig fiets ik dan de wijk door. Op zoek naar die twee. Die ik natuurlijk nooit kan vinden. “Ik zei toch dat jullie om zes uur thuis moesten zijn?”, snauw ik dan. Mijn oudste kijkt me aan. “Ja hallo, hoe moet ik nou weten wanneer het zes uur is?” Oh ja. Dat is ook zo. Hij kan nog geen klok kijken. Hoogste tijd om hem dat te leren.

Zondag was het weer zo ver. Ik moest weg. Ik had gezegd dat ze op het voetbalveld moesten blijven en dat ik, als het tijd was, daar naar toe zou komen. Natuurlijk waren ze daar niet. Voor de zoveelste keer die week trapte ik als een zot door onze buurt. Opeens kon ik mijn trapper niet meer rond krijgen. Ik keek naar mijn rechtervoet en zag tot mijn grote ontsteltenis dat mijn veter om mijn trapper was gedraaid. Ik zat shocking klem. Hoe ging ik dit oplossen? Ik stepte naar de stoep en zette mijn rechtervoet erop. Vrijwil direct daarna klapte ik met mijn fiets en al op de stoep. “Hee, mam, wat ben jij aan het doen?”, hoorde ik vrolijk achter me. Mijn oudste stapte af. “Niks schat, zo stap ik altijd af.” Hij keek naar mijn rechtervoet. “Aha”, stak hij zijn vinger in de lucht, “ik zie het al: je veter is om je trapper gedraaid.” Met zijn kleine vingertjes bevrijdde hij mijn rechtervoet. “Heb je je zeer gedaan?”, vroeg hij bezorgd.

Mijn collega van toen had gelijk. Ik moet ervan genieten. Want dat lopen gaat inderdaad hard, en altijd van je af.

Karin van Leeuwen (42 jaar) schrijft vanuit uit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook