Ka verbaast zich tijdens coronacrisis over frikandel speciaal-etend datend Delfts meisje

Als ik onderuitgezakt op de bank me schaamteloos bemoei met een koppel in First Dates, staat mijn oudste opeens in mijn beeld. Ik wapper met mijn hand, hij slaat zijn armen over elkaar. “Ik ga fietsen. Ben zo terug.” Afwezig knik ik terwijl ik moeite doe het Delftse meisje dat een Hagenees date, te verstaan. “Whut? Staan er geen frikadelluh speciaal op de kaart? Die eet ik elleke dag. Me moedah ook.” Dat zegt ze. Hardop.

Bijna vier weken leven mijn drie mannen en ik 24/7 in hetzelfde huis en hebben we langzaam doch gestaag een ritme in dit contactloze leven gevonden. Voor dag en dauw zit ik, terwijl de rest van de wereld nog op een oor ligt, op mijn fiets zodat ik lekker hard en vooral niet in mijn elleboog kan niezen en hoest ik mijn longen schoon zonder dat dat daar minimaal drie man iets van vindt. De dagen dat ik mezelf bij elk kuchje en niesje paniekerig afvroeg of ik nu corona had, heb ik achter me gelaten. Ik was door alle consternatie even vergeten dat ik gewoon hooikoorts heb en elk voorjaar weer in series van tien nies.

Als ik thuiskom van mijn rondje fietsen, heeft Tommie ingelogd en contact met zijn meester. Keurig aangekleed zwaai ik naar Mees Kees en maak fluitend ontbijt. Daarna sluip ik naar boven naar de kamer van mijn oudste en doe ik de deur zachtjes open. De man met het meeste pigment in zijn lijf is het witste van ons allemaal. Zorgvuldig mijdt hij daglicht en andere mensen. Ook is hij gestopt de eerste ‘o’ uit te spreken in corona. “Ik ben de enige die crona serieus neemt in dit huis. Jullie stellen je bloot aan een levensgevaarlijk virus. Ik niet.”

Als ik een polsslag heb gevonden bij mijn voor dood in bed liggende oudste, verlaat ik zijn puberhol vol afgekloven appels, bekers waarin vanille vla zat en gebruikte glazen. Ik vervolg mijn weg in huis naar zolder. Met de thermoskan in de aanslag voorzie ik De Man van cafeïne zodat hij de dag ook beetje fatsoenlijk en pijnloos doorkomt. Voldaan schuif ik aan de grote tafel in de woonkamer en staar naar buiten.

“Kind, ga je nog naar het Kruidvat een dezer dagen? De Ten Cate-slips zijn in de aanbieding en niet dat ik nou niks meer heb, maar het is altijd mooi meegenomen. Geen zwarte hoor, dat staat me niet, doe maar gewoon witte. Een emmetje is de juiste maat, en als ze hemdjes hebben neem dan maar een elletje voor me mee.” Ik rol met mijn ogen. De wereld staat in de fik en mijn moeder heeft haar zinnen op ondergoed gezet. Om er vanaf te zijn, beloof ik te gaan kijken en hang op.

“Ja en dus ik eet dagelijks fakking frikadellen speciaal en sport ook niet.” Het meisje uit Delft kijkt uitdagend naar de Hagenees aan de overkant van de tafel, en mijn oudste loopt naar de deur. De daters besluiten na hun etentje nog even naar de Febo te gaan. De eenvoud van het programma werkt louterend en sinds de corona-uitbraak heb ik de rust hiernaar te kijken.

Als de aftiteling door het beeld rolt, komt Bob de kamer in. Hijgend en bloedheet ploft hij naast me neer. Misselijk van de penetrante zweetlucht die hij binnen no-time verspreidt, kijk ik hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ja. Ik heb bewogen ja. Ik heb twaalf kilometer gefietst.” Mijn hart maakt een sprongetje maar ik zwijg. Zie je, wat je zaait oogst je, denk ik tevreden. Mijn kind fietst gewoon twaalf kilometer.

Ik zie hoe hij op zijn mobiel een schermafbeelding van het rondje dat hij fietste, maakt en door appt. “Even kijken, hoe heet die gymleraar ook al weer?” tuit hij zijn lippen, “zo. Check! Punten voor gym zijn ook weer binnen. En dat in deze cronatijd. Ben je ook zo trots op mij?” Enigszins teleurgesteld knik ik en ik kan me niet herinneren dat ik zo slim en geestig op mijn twaalfde was.

Reageer ook