Ka speelt potje corona Pac-Man met wapperende Gooise broekrokken op de fiets

De vrouwen zitten voor hun deur in de zon. Breien of lezen wat. Ik minder vaart, knik vriendelijk naar ze. Het mooie weer is een doekje voor het bloeden. Dat Covid19 was misschien toch wat veel van het goede, moet het universum hebben gedacht, en om het goed te maken krijgt het volk aangenaam weer. Mijn hart maakt een sprongetje als ik zie dat de bakker zijn deur wagenwijd open heeft staan. Met een rammelende maag zet ik mijn fiets tegen de gevel. Week vijf van de coronacrisis is begonnen.

Er zijn dagen dat ik het niet meer zie zitten. Dat ik bang ben dat ik mezelf in de supermarkt, waar ik als Pac-Man door de paden race en zo min mogelijk mede-klanten probeer te raken, niet meer onder controle heb. Dat ik buiten zinnen mondkapjes van onnozel kijkende hoofden trek, handschoentjes vermorzel en argeloze buurtbewoners met desinfecterend middel in hun ogen spuit. Niemand die het aan me ziet, want uiterlijk reuze kalm, maar inwendig kookt en borrelt het. “Het is alsof je in de wachtkamer zit,” hangt een buurvrouw over haar karretje, “en je niet zo goed weet waarop je wacht.” Ik heb steeds maar het idee dat ik te strak in mijn coconnetje zit, maar er niet uit kan. De buuf vertelt dat ze jarig is terwijl de inmiddels gefossiliseerde buurman van nummer 73 hinderlijk met zijn hand wappert omdat de birthday girl in de weg staat. Grijnzend bump ik tegen zijn kar, hopsa, weer tien punten binnen; vroeger was ik al koning in het spelen van Pac-Man.

Thuisgekomen cirkelt Bob als een hongerige wolf rond mijn boodschappentas. Verbaasd kijk ik hem aan: het is tien uur en hij staat rechtop. “Zeg, vegeterende, naar zweet stinkend pubertje, ga uit mijn aura,” grijns ik. Als een zombie stapt ‘ie achteruit om vervolgens als een havik mijn tas in te duiken en met een pak oranje mergpijpjes weg te vliegen. De achtervolging zet ik niet in.

In plaats daarvan pak ik mijn fiets, stap op, plop muziek in mijn oren en geef gas. Het suizen van de wielen maakt me rustig, zet de deur van de wachtkamer op een kier. In mijn sportbubbel heerst geen corona, maar rust. Ik waan me op vakantie als ik de Vecht-dorpjes passeer en dank god en de hele wereld als ik zie dat de deur van de plaatselijke bakker open staat. Verwachtingsvol kijkt hij me aan.

“Een krentenbol, heb je die nog?” De bakker knikt en pakt een zakje met zes. “Doe maar twee, ik barst van de honger.” Mijn bankpas houd ik klaar om te pinnen. De bakker schudt zijn hoofd en wijst op het mandje vol bankbiljetten. Legt uit dat hij ‘zo klaar was met die bloedzuigers van dat pinautomatenbedrijf’ dat hij nooit meer zo’n apparaat in zijn winkel wil. Ik slik. Heb geen contant geld bij me. De teleurstelling zakt als een baksteen naar mijn samentrekkende maag. Met een sierlijke zwaai legt Bakkertje Deeg mijn bollen op de toonbank. “Maak jij als je thuis bent maar één euro dertig naar me over.” Hij verrast me door zijn grenzeloos vertrouwen. “En als ik dat nou niet doe?” daag ik hem lachend uit. “Meissie, als jij me wil luppen voor één euro dertig, prima. Maar dan hoop ik wel dat je zo direct van je fiets lazert.”

Al fietsend stamp ik de kraakverse bollen een voor een naar binnen. Tevreden zigzag ik, mijn gezicht afwendend, tussen andere corona-recreanten door. Een Gooise broekrok op een e-bike, wappert driftig met haar hand als ik langskom. “Anderhalve meter afstand,” sist ze als ze me passeert. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Als ik een paar seconden later een schril gilletje hoor en omkijk over mijn schouder, zie ik dat ze in de berm ligt. Met e-bike en al.

Uit haar fietstas rollen een hoog wit gesneden en twee krentenbollen.


Reageer ook