Ka hangt niet in de lampen en weet dankzij Covid19 gewoon nog hoe ze heet

Zachtjes klapperen de oranje plastic vlaggetjes in de wind als ik door Westbroek fiets. Hier en daar staat langs de weg een tafeltje met afgedankte boeken, vaasjes en kleding. De verkoper ervan is in geen velden of wegen te bekennen. Vertrouwt zijn klanten en heeft een geldkistje neergezet. Ik zou op deze dag, als de koning verjaart, in de lampen moeten hangen, mijn naam niet meer moeten weten, misselijk van de oranjebitter en bier moeten zijn. Week 6 van de coronacrisis is begonnen.

“Bob? Bobski?” Op een aangepast stemvolume roep ik mijn oudste. Ik hoor gekreun. Gekraak. Zijn deur duw ik open. Hij ligt in bed en kijkt onafgebroken naar een verschrompelde aardappel. “Wattiser? Ik ben druk.” Als hij ziet dat mijn wenkbrauwen richting haargrens gaan, grijnst hij. Vertelt dat hij voor biologie een uitlopend bintje moet bestuderen. Ofzo iets. Als hij zijn dekbed van zijn warme lijf slaat, hap ik naar adem. “Maar wat wilde je zeggen?” komt hij ter zake. Ik wrijf in mijn handen, benieuwd hoe de mededeling gaan landen.

Hoewel we nooit met zijn vieren tegelijk naar de televisie staren, er zit altijd minimaal twee man op een nevenschermpje te turen, wachten we die avond gespannen op wat Rutte ons gaat melden. Vijf weken Pac-Man spelen in de supermarkt, driehonderd keer per dag mijn handen wassen, niezen in mijn elleboog en geen hond mogen knuffelen beginnen een beetje mijn neus uit te hangen. Ooit, toen ik dacht dat ik juf wilde worden, stond ik tijdens de opleiding als stagiaire voor de klas vierentwintig kinderen uit te leggen wat een meter was. Nooit eerder zag ik zo zoveel vraagtekens opstijgen. Nu, twintig jaar later, kan ik als geen ander uitleggen wat een meter is, maar nog beter kan ik je precies op de millimeter showen hoe anderhalve meter eruit ziet. En dat zou ik liever niet kunnen.

“De scholen gaan weer open. Er mag weer voorzichtig worden gesport,” vertelt de premier het volk. Verschrikt kijkt Bob naar de tv terwijl Tommie opveert van de bank. “En dat weer mogen sporten, dat gaat gelijk deze week in?” vraagt mijn oudste met een lichte trilling in zijn stem. Ik knik. Als middelbaar scholier hoeft hij pas in juni op te draven, maar bewegen zit straks weer in zijn standaard levenspakket. Bob staat hij op en gaat moedeloos voorwaarts. “Ga naar boven, ik heb het druk. Ik moet weer naar mijn aardappel kijken.”

Als hij woensdagavond thuiskomt, zie ik een soort van kleur op zijn wangen en zijn coronakapsel lijkt ook een stuk beter te zitten. Met grote tegenzin zegt hij dat het ‘eigenlijk best wel leuk was, dat bewegen’, maar dat hij nu echt zijn overbelaste puberlichaam ter ruste moet leggen. Het verschil van beleving tussen de broertjes is groot; Tommie stuitert van de energie en kan niet wachten tot hij weer mag atletieken. Zelfde dna als ik, denk ik als ik mijn fiets uit de schuur pak. Mijn kleinste zwaait me uit tot ‘ie me niet meer kan zien. Ik zet mijn muziek wat harder, trek mijn oranje shirt strak.

Koningsdag 2020. De dag erna word ik niet met een spijker in mijn hoofd wakker, hoef ik me niet af te vragen of ik me heb misdragen, kom ik niet met tweedehands rommel thuis dat het jaar erop op het kleedje van Tom ligt te smeken op een nieuwe eigenaar en hoeft mijn lijf geen halfgare, dubieuze broodjes hamburger te verteren.

Terwijl de wind door mijn kop waait, trap ik nog een tandje sneller. Ik zwaai naar de boer die voortploegt op zijn land en verheug me op de dag na Koningsdag als ik fris en fruitig ontwaak.

Ik maak me op voor een nieuwe week en bedenk me dat elke zeven dagen weer een stap dichterbij de unlockdown zijn….


Reageer ook