Ka d’r oudste doet mee met de Hilversum City Run

Hij is druk, mijn oudste. Hij pakt zijn lievelingsbal uit de tuin, frommelt deze onder zijn snelbinders, zwaait en gaat naar het Cruyff Court bij ons op de hoek. Ik kijk m na. Na een tijdje komt ie met rode wangen thuis. Ik vraag of hij lekker heeft gevoetbald. Of er nog bekenden waren. Hij knikt en zet zijn grote mensen-tanden, die nog niet zo heel lang in zijn mond zitten, in een appel. “Dat is gezond, he mam?”, straalt hij.

Als ik sta te koken en de tuin in kijk, zie ik mijn oudste push-ups doen. Billen keurig laag, diep door zijn armen zakkend.

Om zes uur komt De Man thuis. Hij wrijft in zijn handen. “Klaar voor een rondje hardlopen?”, vraagt De Man. Hardlopen? Ik verstijf. Ik ben sportief. Enorm sportief. Ik spin het snot voor mijn ogen, ik duw gewichten weg met trillende armen, ik zwem graag baantjes, maar hardlopen, hardlopen vind ik verschrikkelijk. Ik vind het zinloos. De flow waarover ik hardlopers vaak met liefde hoor praten, ken ik niet. Oh ja, ik heb het geprobeerd. En tijdens het lopen in een hardloopgroep dacht ik alleen maar: ik wil niet. Ik wil niet. Ik wil met mijn billen op de bank. Thee drinken. Chocolaatjes eten. Ik mis het hardloop-gen. Mijn lijf is voor veel zaken gemaakt, maar niet voor hardlopen. En ja, ik vind dat jammer. Ben jaloers op het gemak waarmee ik velen zie hardlopen. Nonchalant. Soepel.

“Nee. Geen haar op mijn hoofd. Ik ben nu niet, straks niet en nooit niet klaar voor een rondje hardlopen”, antwoord ik De Man. Als De Man klaar is met zijn klaterende lach, legt hij uit dat hij het niet tegen mij had. Inmiddels staat mijn oudste klaar in zijn hardloopoutfit. Daar gaan ze, mijn mannen. Oefenen voor de Hilversum City Run. Op zondag 19 april doen ze mee aan de Family Run. Maar liefst anderhalve kilometer moet mijn oudste afleggen. “Ik wil oohook”, jengelt mijn kleinste. Geduldig leg ik uit dat hij nog te klein is. Zijn pruillip is hartverscheurend. Op zijn fiets racet mijn kleinste achter mijn grootste mannen. Na een minuut of twintig komen ze terug. De Man is tevreden over de loopprestaties van onze oudste. Twee keer per week trainen ze.

Terwijl ik een chocolaatje naar binnenstamp, lees ik op Facebook dat mijn hoofdredacteur straks ook de Hilversum City Run van haar lijstje kan vinken. Met haar man en drie dochters gaat ze rennen. Als ze vraagt waarom ik niet meedoe, verschuil ik me achter mijn kleinste. En mompel iets van ‘als ie ouder is, doe ik ook wel mee.’ Natuurlijk niet! Ik doe nu niet mee, straks niet, nooit niet.

Ik ga naar ze kijken. Ik ga mijn mannen op de route spotten. Ik ga mijn tranen terugduwen als mijn oudste voorbij loopt en hij stralend naar mij zwaait. Want dat doet ie. Ik zal de mensen naast me aanstoten en wijzen op mijn bonkie. Ik zal hem over de finish schreeuwen, hem plat knuffelen als hij zijn medaille heeft. Want dat kan ik dan weer goed. Dat zijn mijn talenten. En dat is goed. Je kunt tenslotte niet alles hebben.

Karin van Leeuwen (42 jaar) schrijft vanuit uit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook