Ka d’r kleinste spuugt de trap onder

De griep sabelt genadeloos weerloze Nederlanders neer en stuurt ze snotterend en rillend naar bed. De griep gaat hand in hand met een buikvirusje. “Dagje spugen en gammel, de dag erna opknappen en weer door”, schets een vriendin mij het ziekteverloop. Ik ril. Heb geen zin in ziek zijn en zieken thuis.

Even dacht ik dat we er goed doorheen rolden. Dat we mazzel hadden. Te vroeg mijn handen in de lucht gegooid.

Zaterdagochtend tien over zes. “Mam. Mahaaaam”, schudt mijn kleinste mij wakker. Op de automatische piloot antwoord ik. Hij heeft buikpuin begrijp ik. Ik raad hem aan naar de wc te gaan. Misschien helpt dat. Tevreden draai ik me in mijn zalig warme dekbed. Wat lig ik lekker. Ik sukkel weer in slaap. Een klein vingertje prikt in mijn zij. “Ik heb nog steeds buikpijn”, jammert ie. “Ga maar vast naar beneden, ik kom eraan.” Ik hoor een klein snikje. Hij loop de trap af. Ik hoor een oerkreet, ik hoor gehuil en ruik braaksel. Mijn oudste springt zijn bed uit en ontpopt zich als het Hoofd Verpleging. Stelt zijn broertje gerust. Geeft mij een live-verslag van wat hij op de trap zit liggen. “Een plasje met daarin stukjes pizza en hotdog.” Ik gruwel. Doe mijn lenzen in en ga mijn kleinste redden. Trillend staat ie op de trap. Huilend: “Ik heb op de trap gespuugd. En op mijn pak.” Zijn onesie zit helemaal onder. Ik pak zijn klamme handje en neem hem mee naar de badkamer. Rits de stinkende onesie open. Pak een fris pyjamaatje, haal een washandje over zijn gezicht, doe hem lekkere dikke sokken aan en draag hem naar beneden, de no-go area op de trap zorgvuldig vermijdend. “Ga maar lekker op de bank zitten. Wil je een dekentje? Iets eten? Iets drinken?”, vraagt mijn oudste. Mijn zieke, witte kippetje schudt zijn hoofd. Staart wezenloos voor zich uit.

Op internet tik ik ‘braaksel van tapijt opruimen’ in. Eerst de stukjes opruimen, dan pas boenen. “Want”, zo waarschuwt de schoonmaaksite mij, “anders wrijft u het braaksel in het tapijt.” Logisch. Ik laat een emmer vollopen met water en sop. Maak een schouderrol, haal diep adem en loop naar de trap. Verwijder braaf de stukjes. En ga boenen. “Lukt het mam?”, steekt mijn oudste zijn hoofd om de deur. Ik knik. Het zit overal. Op de muur. Op de vloer. Op het tapijt.

Mijn kleinste is de volgende 24 uur onafscheidelijk met de groene emmer. Gespuugd heeft ie niet meer, maar eten wil ie ook niet. Maandag heeft ie ‘nog een klein beetje hoofdpijn’. Nee, naar school kan echt niet, meldt hij stellig. Als we het rijk alleen hebben en samen op de bank zitten oppert hij om gezellig bij opa en oma koffie te gaan drinken. Ik moet werken. Mijn kleinste belt oma. Vertelt uiterst gedetailleerd over zijn toestand. “Mag ik straks bij jou?”, vraagt hij. Ik weet dat mijn moeder smelt en ja heeft gezegd. Ik breng de patiënt naar oma.

“Zo. Dit had hij even nodig, een dagje volledige verzorging”, knipoogt mijn moeder als ik hem weer ophaal. Prinsheerlijk zit mijn kleinste op de bank onder een dekentje. Morgen kan hij weer naar school, zegt ie. Hij kan er weer even tegen.

Karin van Leeuwen (43 jaar) schrijft vanuit uit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook