Ka d’r jongens hebben eindelijk een eigen kamer

“Mam? Wil je mijn vissenlamp aandoen?” Ik duw voorzichtig de deur van Tommies kamer open. Hij zit rechtop in zijn nieuwe bed. Eentje met een dak. Nee, hij wilde geen hoogslaper net zoals Bob. “Kan papa het dak rood verven?” vroeg hij in de beddenwinkel. Tuurlijk. Papa kan alles.

Ik zoek het schakelaartje van Nemo. De kamer waarin ik jarenlang met Robert sliep, licht oranje op. Tom kijkt me stralend aan. Wil een glaasje water. Vraagt of ik zijn knuffels goed wil zetten. En of ik een envelopje van hem wil maken. “Dan is mijn hoofd de postzegel he, mam?” Ik glimlach en stop zijn deken goed in, terwijl hij zijn armen langs zijn lijf houdt. Mijn kleinste zoekt zoveel mogelijk smoesjes om mij langer in zijn kamer te houden. Ik zoen de postzegel op zijn voorhoofd en wens hem mooie dromen toe. “De deur niet helemaal dichtdoen hoor mam,” klinkt het paniekerig.

Nooit heeft hij alleen geslapen. Als baby stond hij binnen mijn handbereik. Toen ‘ie groter werd klauterde hij uit zijn peuterbed dat bij ons op de kamer stond en frommelde zich tussen Robert en mij in. Het was een vast ritueel: hij legde kleine muis naast mijn hoofd, gaf me een kus, schoof zijn billen tegen mijn buik en mompelde iets dat leek op ‘welterusten’. Vervolgens viel hij in een diepe slaap terwijl ik langzaam door dat kleine kontje uit bed werd geduwd.

Toen zijn peuterbed te klein werd, kwam er een grotere voor in de plaats. Die kon niet op onze kamer staan. Wel onder de hoogslaper van Bob. Aan de zolder werd gewerkt en als die klaar was, gingen Robert en ik daar slapen en verhuisde Tom naar onze kamer. De verbouwing van de bovenverdieping liep behoorlijke vertraging op waardoor de broertjes langer dan gepland op één kamer lagen. Bijna dagelijks hoorde ik hoe ze samen de dag doornamen. “Het was echt kapot leuk op school. We mochten van onze boterhammen tosti’s maken.” Het vooruitzicht dat ‘ie in groep 7 van zijn alledaagse sneetjes brood een tosti mag maken, stemt Tom tevree.

Het was niet altijd peace and harmony daar op die jongenskamer. “Bohooob, hou op met zingen. Doe dat dan in je hoofd.” Het duurde altijd even voordat ik het gefrustreerde postzegeltje weer kalm had terwijl Bob niet meer bijkwam vanonder zijn dekbed.

Ik lig nog maar net op bed als ik gesnik hoor. Robert draait zich mompelend om. Zuchtend stap ik uit mijn warme nest, nog niet wetend of het Bob of Tom is. Het is mijn oudste. Hij wrijft de tranen uit zijn ogen als ik zijn kamer binnenkom. Ik klauter op het trappetje van zijn hoogslaper. Het jongetje dat steeds vaker ‘nou én dat boeit me toch helemaal niets’ tegen me zegt als ik dat niet verwacht, slaat nu zijn armen om mijn nek. Huilt hartverscheurend. Ik voel zijn stevige lijf tegen me aan. Rugby, hij moet op rugby, schiet door me heen. Ik vraag wat er met hem is. Hij haalt zijn schouders op. Pruttelt iets van ‘nachtmerrie en niet kunnen slapen.’ Ik schud zijn dromenvanger leeg en wijs erop. “Het ding kan wel weer nieuwe leuke nachtverhalen gebruiken. Zet ‘m op!” Met rode slaapwangen valt hij achterover in bed. “Slaap lekker lieve mama.” Ik steek mijn hoofd bij Tom om de hoek. Hij heeft zijn slaapmuts opgezet, ligt op zijn rug en snurkt met zijn mond open. Er is weinig fantasie nodig om voor te stellen hoe hij over een aantal jaar als een boom van een kerel in een lits-jumeaux slaapt. Ik doe Nemo uit.

Als ik die ochtend de trap afkom, blijf ik halverwege luisteren. De mannen zijn al op en voeren een belangrijk gesprek. “Hee Tom. Mis jij mij ’s nachts?” Vanaf de trap zie ik mijn pluizenbolletje knikken. “Ik jou dus ook. Ik moest er vannacht om huilen. Ik heb mama niet gezegd waarom.”

Straks knokken ze elkaar de tent weer uit, weet ik. Maar mijn moederhart breekt.


Reageer ook