Ka doet mee aan een atletiekwedstrijd

Als ik wakker word, kreun ik. Ik draai me op mijn zij. Blijf even zo liggen om te stabiliseren. Dan sla ik het dekbed van mijn lijf en ga rechtop zitten. Leerde ik tien jaar geleden op zwangerschapscursus. Ik moest toen wel omdat ik met die toeter waarin Bob nestelde niet uit bed kon komen. Nu kan ik niet anders omdat ik verga van de spierpijn.

“Aaah mam. Please? Alle ouders doen mee. Echt. Allemaal.” Tommie is nog net niet door zijn knieën gezakt om mij met gevouwen handjes over te halen. Zijn puppyogen zijn onweerstaanbaar. Ik zucht diep. Oké. Oké. Ik doe het. Stralend slaat mijn kleinste zijn armpjes om mijn middel. “Je bent de liefste. De allerliefste moeder van de hele wereld,” slijmt hij ondanks dat zijn buit al binnen is.

Die zaterdag haast ik me naar de markt, doe boodschappen en als ik thuis ben, hijs ik me in mijn sportoutfit. Vandaag is de grote dag: ouder-kindwedstrijd op de atletiekclub. Bob gaat de strijd aan met De Man, Tommie met mij. Voorzichtig informeer ik wat er allemaal van me wordt verwacht die dag. “De beker winnen,” grijnst Bob. Tommie knikt. “En je moet denk ik hoogspringen, over hordes lopen en dat soort dingen.” Hoogspringen? Hordelopen?

Het al druk als we bij de club arriveren. Ik zie heel sportieve ouders. Met zweetbanden om hun hoofd. Tien oefeningen zijn klaargezet. “Maar eerst, lieve mensen, gaan we opwarmen. Ren maar achter die meisjes en jongens aan,” nodigt een fanatiekeling van de club ons uit. Tommie bijt op zijn lip. Weet dat ik niet zo’n hardloopfan ben. Ik laat me niet kennen en begin te rennen. Buitenadem kom ik op het grasveld aan. Daar moeten we knieheffen. Lopen als een krab. Sprintjes trekken. Het zicht op de beker ben ik na de warming-up al kwijt.

Die middag hang ik aan een spijkerbroek, gooi ik rennend natte sponzen over, spring ik door hoepels en stap over hordes heen terwijl er tussen mijn en Tommies buik een joekel van een ballon moet blijven zitten. Het laatste onderdeel is hoogspringen. Ik sluit aan in de rij wachtende ouders en kinderen. Zie wat ik moet doen. “Eh, Tom, dit ga ik dus niet doen. Ik vind het eng om uit stilstand omhoog te springen. Onnodig ook.” Mijn kleinste zegt dat het moet. Ik. Moet. Niks.

Wanneer we aan de beurt zijn, zeg ik de jongen van het hoogspringen dat ik het niet doe. “Mag niet van de dokter. Zwakke knieën, hè?” verontschuldig ik mij. Tom wil zijn mond al opendoen om de waarheid te spreken. Ik kijk hem alleen maar aan. De beker slepen we niet in de wacht, drie dagen spierpijn wél.

‘s Avonds ga ik gelijk met mijn twee mannen naar bed. Ik ben kapot. Als ik de deur dicht wil doen, roept mijn kleinste mij. “Ik vergeet nog wat, mam. Denis vroeg of je over twee weken mee gaat freerunnen. Is voor papa en mama’s en hun kinderen. Gewoon een saltootje maken, een wall backflip, dat werk.” Als ik de deur nijdig dichttrek, hoor ik nog net: “Aaah mam. Please? Alle ouders doen mee. Echt. Allemaal.”

Karin van Leeuwen (44 jaar) schrijft vanuit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook