Hoe Karin de sigaretten afzwoor en nooit meer rookte

De tijd dat ik goede voornemens had zodra ik het laatste blaadje van de kalender omsloeg, ligt ver achter me. Het enige dat ik me voorneem is me niets meer voornemen. Dat zorgt voor rust. Veel rust.

“Nou nog eentje dan.” Ik doopte de veel te vette oliebol weer in de poedersuiker en zette gretig mijn tanden erin. Maar na die ene, volgde vrolijk de volgende. Morgen, morgen dan was het écht afgelopen, beloofde ik mezelf. Maar de tweede dag van het nieuwe jaar starten met een kater en oud brood was ondoenlijk en zo sneed ik een appelbeignet in stukjes en had ik toch ook nog een soort van fruit bij mijn ontbijt. Zo verging het al mijn goede voornemens.

De 1 januari’s dat ik me voornam te stoppen met roken zijn niet op één hand te tellen. Wat had ik een spijt dat ik ooit op mijn vijftiende het onzalige idee opvatte te starten met roken. Het feit dat ik na een van mijn allereerste sigaret hoestend in mijn broek poepte, weerhield mij er niet van gewoon door te roken. Je had ausdauer of je het had het niet.

Jaren pafte ik alles weg waaruit rook kwam. Shag, sigaretten, Javaanse Jongens, ja zelfs als het echt niet anders kon, stak ik een Gauloise in de fik. Als ik opstond was het eerste dat ik deed roken en met die bezigheid besloot ik mijn dag. In bed. De laatste.

Dat ik een krant maakte met naast mijn computer een grote Lucky Strike-asbak die ik had ‘geleend’ uit mijn stamkroeg, kan ik me niet meer voorstellen. De collega met de wapperende hand, lachte ik uit en zei ik ergens anders te gaan werken als hij last had van mijn verslaving. Maar het rooktij keerde. Er werden speciale ruimtes aangewezen waar de junks hun dagelijkse dosis konden inhaleren. Het was afgelopen met het  roken achter je computer, op het balkon in de snijdende wind met die sigaret. Het lachen begon me te vergaan. Maar ik hield vol. Rokende vrienden haakten af. Vonden het een sneue vertoning worden. Stonden we in de zeikregen ons portie nicotine te inhaleren. Nee, hen niet gezien. En toch hield ik stug vol.

Tot ik zo ongeveer de laatste der Mohikanen was. Op feestjes was ik de enige die buiten stond te roken. Echte matties kwamen me vergezellen ondanks dat ze het vonden stinken. Ze hadden medelijden met me, de dood voor vriendschappen.

Dat de dag zou komen dat ik mijn sigaretten voorgoed in de wilgen zou hangen, had ik nooit verwacht. Ik weet het nog goed. Ik was eenendertig jaar, op vakantie in Frankrijk met een niet of liever gezegd anti-rokende Robert, en de dag gleed voorbij zonder dat ik een sigaret had aangeraakt. Vaak had ik me voorgesteld hoe een rookvrij leven eruit zou zien. Het leek me een hel.

Na die ene rookvrije dag, volgde de andere. Er gingen weken voorbij dat ik niet meer rookte. Muffinrandjes verschenen boven mijn broekband. Maar ik rookte niet.

Dertien jaar lang ligt er een aangebroken pakje Lucky Strike in mijn nachtkastje. Soms pak ik er een sigaret uit. Houd ‘m tussen mijn vingers, doe ‘m tussen mijn lippen. En dan inhaleerde ik? Hoe dan?

Nadat ik voorgoed besloot te stoppen met roken, nam ik me  één ding voor: rokende mensen in mijn omgeving zou ik nooit maar dan ook nooit veroordelen. Omdat het gevoel van het roken en het nergens meer mogen roken niet verdwijnt. Nooit meer.

 


Reageer ook