De ranken van de Passiebloem, leesfragment

Normal.dotm
0
0
1
32
188
Womenonweb.nl
1
1
230
12.256

0
false

21

18 pt
18 pt
0
0

false
false
false

/* Style Definitions */
table.MsoNormalTable
{mso-style-name:Standaardtabel;
mso-tstyle-rowband-size:0;
mso-tstyle-colband-size:0;
mso-style-noshow:yes;
mso-style-parent:””;
mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt;
mso-para-margin:0cm;
mso-para-margin-bottom:.0001pt;
mso-pagination:widow-orphan;
font-size:12.0pt;
font-family:”Times New Roman”;
mso-ascii-font-family:Cambria;
mso-ascii-theme-font:minor-latin;
mso-fareast-font-family:”Times New Roman”;
mso-fareast-theme-font:minor-fareast;
mso-hansi-font-family:Cambria;
mso-hansi-theme-font:minor-latin;
mso-bidi-font-family:”Times New Roman”;
mso-bidi-theme-font:minor-bidi;}

ana-veloso.jpg
Deze maand is de nieuwste roman van Ana Veloso verschenen bij Van Holkema & Warendorf: De ranken van de passiebloem. Een roman om bij weg te dromen! De zoektocht van een vrouw naar haar verleden in het onherbergzame Brazilië…
damespraatjes.nl mag alvast een deel van de roman publiceren. Dames, ga er maar even lekker voor zitten en droom weg met een fragment uit dit schiiterende boek……
Wil jij dit boek winnen? Dat kan ook, lees dan hier hoe je in het bezit kunt komen van dit boek


Fragment uit De ranken van de passiebloem van Ana Veloso

Hoofdstuk 1

Het was te fel. Het licht deed pijn aan haar ogen. Het veroorzaakte een heftig gebonk in haar hoofd. De jonge vrouw deed haar ogen snel weer dicht, maar de zonnestralen drongen door haar oogleden en kwelden haar hersens met wilde patronen in gele en oranje kleuren. Ze voelde zich misselijk worden. Ze draaide haar hoofd van de linkerzijde op de rechter, in de hoop dat de pijn en misselijkheid zouden verminderen. Een paar minuten lang bleef ze zo bewegingsloos liggen, maar de situatie werd er niet beter op. In plaats daarvan kreeg ze nu, naast de hoofdpijn, ook nog last van een slecht geweten. Gezien het licht in de kamer moest het al middag zijn. Waarom lag ze om deze tijd in hemelsnaam nog in bed? Maar voordat ze deze vraag kon beantwoorden, verloste een onrustige slaap haar alweer van de hamerende pijn.

Een paar uur later sloeg de jonge vrouw opnieuw haar ogen op. Het licht was nu minder fel en ook het vreselijke gebonk in haar schedel was minder geworden. In plaats daarvan voelde ze nu een ondraaglijke dorst. Haar mond was zo droog dat haar tong aan haar gehemelte bleef plakken. Ze had dringend behoefte aan een glas water. Ze probeerde rechtop te gaan zitten, maar het lukte niet. Haar bovenlichaam was nog maar luttele centimeters omhooggekomen, of ze liet zich alweer uitgeput terugvallen in de kussens. En dus bleef ze maar liggen en hoopte ze dat er snel iemand zou komen. Misschien kon ze zich verstaanbaar maken? Ze begon te roepen, maar merkte meteen dat er niet meer dan een zacht gekras uit haar keel kwam. Er zat dus niets anders op dan af te wachten.
Zo liggend en zonder haar hoofd al te veel te bewegen, keek ze de kamer rond. Ze was er zeker van dat ze de ruimte nog nooit eerder had gezien. Waar was ze?

Tussen drie massieve, zwarte houten balken was het plafond witgekalkt. De muren van de kamer, of in elk geval dat wat ze er vanuit haar positie van kon zien, waren effen wit. Geen vakwerkbalken. Geen schilderijen. Ze zag zelfs geen crucifix hangen. Het raam, dat met roedes verdeeld was in kleine ruitjes, was een eindje omhoog geschoven. Gordijnen hingen er niet. Alleen de luiken hadden ongewenste blikken en licht van buiten kunnen tegenhouden, maar die waren niet gesloten. En dus scheen de zon ongehinderd de kale kamer binnen. Hij stond al laag en er viel een straal op de eenvoudige commode, waarop een geëmailleerde lampetkan met bijbehorende waskom stond. O god, kon ze nu maar opstaan om die paar passen naar de waterkan te lopen! Ze stierf van de dorst!

Ze begon te huilen. Maar voordat de jonge vrouw zich vol- ledig aan haar wanhoop kon overgeven, kwam er plotseling een dikke, donkere vrouw de kamer binnen. Ze lachte, waar- bij ze haar tandvlees ontblootte. Dat was blauwig in plaats van roze, zoals dat van haarzelf. De jonge vrouw voelde zich een beetje onbehaaglijk. Ze had natuurlijk wel eens over zwarte mensen gehoord en gelezen, maar ze had nog nooit een echte negerin van zo dichtbij gezien. Was ze misschien in Afrika terechtgekomen? Maar nee, de zwarte vrouw droeg immers een keurige, katoenen jurk met een gesteven schort ervoor. Het was dus zeker geen wilde uit de rimboe.
De dikke vrouw babbelde aan één stuk door. Toen ging ze op de rand van het bed zitten, keek de jonge vrouw in de ogen en sprak haar direct aan. Ze had een mooie stem, die vriendelijk klonk. De jonge vrouw ontspande zich nu een beetje, hoewel ze geen woord verstond. Ondanks de verontrustende vreemdheid had de zwarte vrouw ook iets moederlijks over zich. En ze had meteen gezien waar de jonge vrouw het meest behoefte aan had: water.

De oudere vrouw bracht een glas naar haar lippen en helde het zo dat ze een paar kleine slokjes kon nemen. Het duurde niet lang, of het glas was leeg. De zwarte vrouw stond op, zei nog iets tegen de jonge vrouw, streelde even over haar hand en verliet toen de kamer. Toen ze door de deuropening liep, zag de jonge vrouw dat ze geen schoenen droeg. Dat vond ze toch wel merkwaardig. Ze was hierdoor zelfs even afgeleid van het feit dat ze nog steeds zoveel dorst had dat ze een hele emmer water in één keer had kunnen leegdrinken. Daarna viel ze weer in slaap.

Toen ze voor de derde keer die dag wakker werd, zat de zwarte vrouw op een stoel naast haar bed. Ze keek bezorgd, maar glimlachte opbeurend naar haar patiënte. Opnieuw begon ze tegen haar te praten, maar de jonge vrouw kon er niets van verstaan. Pas toen de zwarte vrouw met een vinger op zichzelf wees en ‘Teresa’ zei, begreep de jonge vrouw het. Vervolgens wees de vrouw op haar en trok vragend haar schouders op. Blijkbaar wilde ze weten wat haar naam was. De jongere vrouw zweeg.

Ze leek na te denken, schudde toen spijtig haar hoofd. De tranen sprongen haar in de ogen. Troostend raakte de zwarte vrouw haar wang aan. Wat een belachelijk idee was het geweest van haar, Teresa, om het arme kind te willen laten praten! Het meisje had waarschijnlijk nog steeds haar stem niet terug.
De jonge vrouw opende haar mond pas weer toen de oudere vrouw haar een kleine lepel met rijstepap voorhield om haar te voeren. De geur bracht aangename gevoelens naar boven, maar ze kon niet precies verklaren waaraan ze werd herin- nerd. Bovendien was het fijne gevoel maar van korte duur. Al snel kwamen de vragen die haar kwelden sinds ze wakker was geworden er weer voor in de plaats. Wat was er gebeurd? Waar was ze? Wie was deze vrouw?
En vooral: wie was zij zelf?

Hoofdstuk 2

Op mijn zevende verjaardag vroeg mijn moeder me ’s ochtends, voordat ik naar school ging, wat ik die middag wilde eten. Ze wist precies wat mijn lievelingseten was, en dat was ook waar ik om vroeg: rijstepap met kaneel en suiker. Die hele ochtend op school staarde ik uit het raam. Het was een grijze dinsdag, regendruppels tikten op het glas. De afgelopen week van deze novembermaand van het jaar 1810 was mooi geweest; pas de dag ervoor was het weer omgeslagen. Maar dat maakte me niet veel uit. Ik kon nauwelijks aan iets anders denken dan aan het moment waarop ik eindelijk van die zoete, smeuïge brij mocht genieten. De andere kinderen op school zongen ter ere van mijn verjaardag een lied voor me en blijk- baar keek ik nogal gelukzalig voor me uit, want de leraar maakte er een opmerking over. ‘Fijn dat je zo genoten hebt van ons gezang,’ zei hij, of in elk geval iets van die strekking. Herr Friedrich heette hij, en ook toen al had hij duidelijk niet al te veel mensenkennis. Het lied deed me namelijk niet zoveel.

Ook de kleine cadeautjes die mijn vriendinnen voor me hadden meegenomen, wisten me minder te bekoren dan het vooruitzicht op de rijstepap. Van Anna kreeg ik een gevlochten, leren armbandje, net zo een als zij had. Ik wist dat ze me dit alleen maar gaf, zodat ik door het te dragen zou laten zien dat zij mijn beste vriendin was. Maar mijn beste vriendin was Lore. Van haar kreeg ik een prachtige houten tol, die haar vader waarschijnlijk zelf had gemaakt. ‘O, die is mooi!’ riep ik uit, maar op de een of andere manier keek Lore toch een beetje teleurgesteld. Tijdens de grote pauze pakte mijn broer Matthias de tol van me af. Pas toen hij het voor elkaar gekregen had om het stuk speelgoed te vernielen, kreeg ik het weer terug. Lore moest huilen, ik niet. Ik was wel ergere dingen gewend.

Ik had acht broers en zussen, allemaal ouder dan ik. Vier van hen zaten op dezelfde school als ik, namelijk mijn broers Matthias, Johannes en Lukas en mijn zus Hildegard. Van de andere vier waren er twee getrouwd en hadden al kinderen. Mijn vader zou met zijn werk in de leisteengroeve toch al niet genoeg voor ons allemaal hebben verdiend en ook ons kleine stukje land bracht niet genoeg op voor iedereen. En nog wel het minst voor mij. Het is echt verschrikkelijk als je van elf personen in één huishouden – want afgezien van mijn ouders en vrijgezelle broers en zussen woonden ook tante Mechthild en opa Franz bij ons in – de jongste bent. Je hebt absoluut geen rechten. Je bent altijd pas als laatste aan de beurt, en niet alleen tijdens het eten. Je moet je ouders gehoorzamen, maar tegelijkertijd oppassen dat je je broers en zussen te vriend houdt. Eén keer had ik Hildegard per ongeluk verraden, waarna ze me wekenlang op de vloer van onze slaapkamer liet slapen. En niemand die er iets van merkte. Pas toen ik bijna bezweek aan een longontsteking, stond ze me toe weer in het bed te slapen. Nooit heb ik daarna ook maar één woord meer gezegd over haar lachwekkende verliefdheid op de knecht van de familie Kelbel.

Toch kon ik het met Hildegard, ondanks het leeftijdsverschil van zes jaar, altijd nog beter vinden dan met Matthias, die maar één jaar ouder was dan ik. Hij treiterde en pestte me waar hij maar kon. Hij verzon leugens over me, maakte mijn kostbare schoolschriften kapot en goot inkt over mijn kleren – waarvoor mijn moeder krom had gelegen omdat ze erop stond dat wij allemaal naar school gingen, als het tenminste geen oogsttijd was en we allemaal moesten meehelpen op het land. Wij moesten het beter krijgen dan zij, zei ze altijd.
Matthias vond alles leuk waar ik straf voor zou kunnen krijgen. En waarom iedereen altijd hem geloofde in plaats van mij, heb ik nooit begrepen. Het moet gezegd worden dat hij een geweldige leugenaar en toneelspeler was die, als het erop aankwam, eruit kon zien als de onschuld zelve. Ik werd daar- entegen al knalrood bij alleen de gedachte aan de straf die ik onterecht zou krijgen, waardoor ik er schuldig uitzag. En toch kon ik er niet bij dat een mispunt als Matthias met zijn achterbakse streken er steeds weer ongeschonden vanaf kwam, terwijl ik toch echt niet de enige was die daar onder te lijden had. Of misschien toch wel? Bij ons thuis was ik tenslotte wel de enige die jonger, kleiner en zwakker was dan hij.

Mijn enige troost was de wetenschap dat Matthias welis- waar vader en moeder, de leraar en de pastoor voor de gek kon houden, maar niet onze lieve Heer. Die zag elke zonde die Matthias beging en net zo goed zag Hij dat ik juist een heel braaf kind was. Ooit zou ik in de hemel komen en Matthias vast en zeker niet.

Wat betreft venijn overtrof Matthias zichzelf op mijn ze- vende verjaardag. De vernielde tol was nog tot daar aan toe, maar wat er ’s middags gebeurde ging veel verder. Samen met mijn broers en zus liep ik vanuit school naar huis. Onderweg kon Hildegard haar ogen weer eens niet afhouden van de knecht van de familie Kelbel en de jongens verzamelden kas- tanjes om daarmee vervolgens de koeien te bekogelen. Ik was allang blij dat ze ze niet naar ons meisjes gooiden. Het was, zoals gezegd, een grijze novemberdag en mijn voorpret over het verjaardagseten groeide met elke stap die wij dichter bij onze boerderij kwamen. Het was een lange weg, maar dat waren we gewend. Als je elke doordeweekse dag minstens tien kilometer moet lopen, vijf naar school en vijf weer terug, plus alles wat daar nog bij kwam voor de verschillende klusjes, dan voelt het niet meer als zo ver. Toen we eindelijk thuis aankwamen, straalde onze moeder al over haar hele gezicht. Volgens mij verheugde zij zich net zo op de rijstepap als ik. Normaal gesproken kwamen er bij ons in de herfst alleen maar aardappel- en koolgerechten op tafel. Op kruiden werd bespaard, kaneel en vanille kenden we eigenlijk alleen van Kerstmis – of dus van onze verjaardagen, want elk kind mocht op die dag zijn lievelingseten kiezen. Hoe groot onze armoede ook was, op de een of andere manier lukte het onze moeder altijd weer om op die feestdagen onze wensen te vervullen.

Moeder drukte me tegen zich aan, iets wat alleen bij bijzondere gelegenheden gebeurde. Alleen al deze omarming zorgde ervoor dat ik alle onrechtvaardigheden vergat die ik op deze en andere dagen gedurende het jaar te verduren had gehad. We gingen het huis binnen, waar ons een veelbelovende, magische, heerlijke geur tegemoetkwam. Binnen wachtte ook vader op me, die me optilde en zei: ‘Zeven jaar, je wordt al een echte jongedame!’ Op dat moment hoorden we vanuit de keuken een enorm gerammel en gerinkel. Even later kwam Matthias uit de keuken gerend. ‘Ik wilde alleen maar een beet- je roeren, zodat de rijstepap niet zou aanbranden!’ snikte hij. ‘Moeder was immers buiten en Hildegard is meteen naar haar kamer gerend en jullie waren hier in de hal en de anderen… toen dacht ik, omdat het toch heel speciaal eten was en…’ Verder kwam hij niet, zo vreselijk moest hij huilen. Inmiddels waren wij allemaal de keuken in gerend, om te kijken wat er was gebeurd. Daar zagen we het: de pan met rijstepap lag op de vloer, de witte brij spreidde zich langzaam uit over de tegels voor het fornuis.

‘Jij wilde niet alleen maar even roeren. Je hebt er ook van gesnoept.’ Berispend keek vader Matthias aan.
Die wilde al met zijn hoofd schudden, maar bedacht zich toen en knikte. Misschien realiseerde hij zich dat er in zijn mondhoek nog een restantje van het feestmaal kleefde, misschien gaf hij gewoon ook liever een kleiner vergrijp toe, om maar niet van iets groters beschuldigd te worden. Want dat Matthias met opzet de pan van het fornuis had gegooid, nadat hij zijn buik had volgegeten met míjn verjaardagseten, stond voor mij vast. Ik zag het aan de gemene glinstering in zijn ogen. Ik barstte in tranen uit.

Moeder bakte vervolgens appelpannenkoeken en ik mocht Matthias’ portie kaneelsuiker, eigenlijk bedoeld voor de rijstepap, over mijn pannenkoek strooien. Die straf vond ik veel te mild voor de streek die mijn broer mij had geleverd. Ik zon op wraak. En niet alleen op hem. Het liefst was ik met de mestvork achter mijn hele familie aangegaan, want bijna nog erger dan Matthias’ gemeenheid vond ik het feit dat hij het, met zijn hartverscheurende gezichtsuitdrukking van berouw en verdriet, ook nog eens voor elkaar had gekregen dat iedereen nu medelijden met hem had.

‘Zoiets kan gebeuren, zit er niet langer over in.’ Daarbij streelde moeder teder over zijn zachte, blonde haar.
‘Hier, neem maar een stukje van mijn pannenkoek met ka- neel,’ zei Ursula, de oudste nog thuis wonende zus, ‘ik zit toch al vol.’
Mijn onderlip begon te trillen. Zo meteen zou ik in huilen uitbarsten. Lukas, de aardigste van al mijn broers, leek mij en de anderen te willen afleiden van het drama dat hij voelde aankomen. ‘Toen ik acht was, is mij nog iets veel ergers over- komen,’ vertelde hij plechtig, terwijl hij de mouwen van zijn linnen overhemd omhoog stroopte. Alsof wij niet allemaal allang de littekens kenden, die hij als gevolg van een vergelijk- baar ongeluk bij het fornuis met een pan kokend water had opgelopen.
Zijn onbeholpen poging om me mijn verdriet te laten verge- ten mislukte. Ik begon te huilen, stond abrupt op van tafel en liep de keuken uit. Wie was hier vandaag jarig? Ik! Wie was er onaardig geweest? Matthias! En wie werd er gestraft, wie werd er beloond? Ik begreep niets meer van de wereld. Het laatste wat ik hoorde voor ik de trap op liep was de stem van mijn vader. Het was absoluut niet geoorloofd voor een kind om zonder toestemming van tafel te gaan. ‘De rest van de dag huisarrest!’ riep hij me na, en ik was er niet eens rouwig om. In mijn kamer was ik tenminste veilig voor de streken van mijn broer.
De rest van die bedorven dag verliep toen eigenlijk verbazingwekkend fijn. Iedereen, behalve mijn vader en Matthias, bezocht mij ‘stiekem’ in mijn kamer, gaf me een bescheiden cadeautje, sprak me lief toe of probeerde me op te beuren met rare fratsen. Ursula verontschuldigde zich zelfs voor haar onnadenkendheid: ‘Als ik had geweten dat jij nog een pannenkoek wilde, dan had ik hem aan jou gegeven. Maar je zag er zo voldaan en tevreden uit…’ Opnieuw voelde ik de tranen komen, maar Ursula, die al zestien was en meer een moeder dan een zus voor mij was, wist me te troosten. Ze omhelsde me, kuste me op mijn haar en fluisterde woordjes in mijn oor die liever klonken dan dat ze waren. ‘Sst, mijn kleine schat, wind je niet op. Zo is het leven nu eenmaal. De mannen krijgen altijd het beste, wij alleen de resten. Ha,’ onderbrak ze zichzelf, ‘dat rijmt! Hoe dan ook. Twijfel daar nooit aan, laat staan dat je er om huilt. Integendeel. Als je gehuild hebt, zie je er verschrikkelijk uit, met gezwollen ogen en een rode neus, en dan wil geen man je meer hebben. Zo’n kleine schoonheid als jij, dat is een hele goede partij, wacht maar af. Maar alleen als je altijd vrolijk bent, ook als je je niet zo voelt.’

Ik had meteen weer kunnen huilen. Het enige wat me ervan weerhield was mijn poging de logica achter deze merkwaardige les te zien. Waarom zou ik ooit een man willen hebben die toch niet het beste voor mij wilde? Ik zou nooit trouwen, zei ik tegen mezelf, als ik daarmee hetzelfde lot tegemoetging dat ik nu ook had: altijd pas als laatste mogen opscheppen, altijd als eerste naar bed moeten, nooit een complimentje krijgen voor iets dat ik beter kon dan al mijn broers of zussen.

Nu al, in mijn eerste jaar op school, kon ik netter schrijven dan Matthias, maar naast het mooie handschrift van Hildegard, die mij al voordat ik naar school ging het alfabet had geleerd, leek dat van mij meer op kinderlijk gekrabbel. Ik kon sneller rennen dan alle andere meisjes van mijn leeftijd, maar van mijn broers en zussen was ik altijd de langzaamste. Het enige waarin ik echt beter was dan alle anderen, was mijn ge- heugen. Ik kon hele lange lijsten onthouden en wist alle verjaardagen van iedereen die ik kende uit mijn hoofd. Ik kende alle coupletten van zelfs de langste kerstliederen en bij het voordragen van gedichten was ik altijd de beste. En wat le- verde me dat op? Spot.

‘Onze kleine papegaai,’ grapte vader, toen ik vorig jaar tijdens het sinterklaasfeest een heel moeilijk gedicht foutloos had opgezegd. Mijn broers en zussen lachten mee, hoewel ze natuurlijk net zomin als ik wisten wat een papegaai was.
Helaas herinnerde ik me niet alleen alles wat ik ooit uit mijn hoofd had geweten, maar ook dit soort vernederingen. Ooit, nam ik me voor, zou ik voor mezelf opkomen. Als zij allang zouden zijn vergeten wat ze mij ooit allemaal hadden aangedaan, zouden alle gehoon, onrecht en vernederingen in mijn hoofd verderleven. En dan zou ik het hun terug betalen.
Want ik vergat nooit iets.

v:* {behavior:url(#default#VML);}
o:* {behavior:url(#default#VML);}
w:* {behavior:url(#default#VML);}
.shape {behavior:url(#default#VML);}

Normal.dotm
0
0
1
11
63
Womenonweb.nl
1
1
77
12.256

0
false

21

18 pt
18 pt
0
0

false
false
false

/* Style Definitions */
table.MsoNormalTable
{mso-style-name:Standaardtabel;
mso-tstyle-rowband-size:0;
mso-tstyle-colband-size:0;
mso-style-noshow:yes;
mso-style-parent:””;
mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt;
mso-para-margin:0cm;
mso-para-margin-bottom:.0001pt;
mso-pagination:widow-orphan;
font-size:12.0pt;
font-family:”Times New Roman”;
mso-ascii-font-family:Cambria;
mso-ascii-theme-font:minor-latin;
mso-fareast-font-family:”Times New Roman”;
mso-fareast-theme-font:minor-fareast;
mso-hansi-font-family:Cambria;
mso-hansi-theme-font:minor-latin;
mso-bidi-font-family:”Times New Roman”;
mso-bidi-theme-font:minor-bidi;}


Bestelinformatie

De ranken van de
passiebloem

Ana Veloso

€ 19,99

ISBN
978 90 475 1556 2

 

 


Reageer ook