Anneloes Besteman, Tatoeages & dreadlocks

Ik tuurde naar haar. Ze zat op een klapstoel voor het raam, in het midden van een rij verlaten zitplaatsen. Het ritmische gedreun van de treinrails werd overstemd door het gebonk uit haar koptelefoon.

Mijn bloemetjesrok streek ik glad, terwijl ik door mijn wimpers haar tatoeages in mij opnam. Muzieknoten, een gitaar en een doodshoofd vol geïnkt met oranje en rode bloemen. Het was alsof ze een felgekleurde panty over haar rechterarm had getrokken. In mijn verbeelding zag ik haar vooraan bij een rockband staan. Hangend over een elektrische gitaar. Haar dreadlocks bungeejumpend op het ritme. Een wild leven vol drugs en knetterharde muziek.

Als elk piercinggat in haar lijf stond voor elk impulsief moment in haar leven, dan leefde ze vrij. Als elk plaatje stond voor een waardevolle herinnering, dan had ze een rijk leven. Ik probeerde te berekenen hoeveel kostbaars ze nog kon meemaken. Als ze verkleinde tekeningen zou gebruiken, dan kon er nog wel een paar jaar bij. Al wist ik natuurlijk niet wat ze onder haar shirt en wijde broek al beklad had.

De trein verminderde vaart. Ik borg mijn roman op in mijn schoudertas en liep naar de deur. Ze zag me niet staan. Zou ze ook de ogen niet voelen prikken van al deze mensen om haar heen? Onverstoorbaar haalde ze haar mobiele telefoon tevoorschijn uit haar zwarte rugtas. Haar koptelefoon hing ze als een ketting om haar nek.

‘Oma,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Ik wilde u even laten weten dat ik vanavond later ben. Ik denk dat ik niet mee kan eten.’

Ik trok een wenkbrauw op. Een vrouw met diepe rimpels naast haar ogen, draaide haar gezicht naar haar toe.

‘Nee, ik zit in de trein,’ ging ze gestaag verder. ‘Ik vind het echt zo belachelijk!’

Mijn perron kwam in zicht. Ik hoopte vurig dat de trein langzamer ging rijden.

‘Ik zit in de trein. Er is een symposium in Utrecht. Ik weet dat het zaterdag is, maar deze man is speciaal voor ons naar Nederland gekomen. Zijn boeken over sport en onderwijs zijn echt briljant.’ De deuren schoven open voor mijn neus.

‘Maar er komen maar vier klasgenoten. Allemaal aan het zeuren over dat het wel weekend is. Hallo, het is wel je opleiding hoor!’

Toen de koele wind tegen mijn wangen aan sloeg, hoorde ik het fluitsignaal gaan.  De trein kwam traag op gang. Door het raam zag ik hoe ze de koptelefoon weer over de dreadlocks heen zette. In mijn verbeelding zag ik haar nu zwetend in de gymzaal, met een groepje jonge kinderen voor zich. Een klein meisje met blonde vlechtjes zou opstaan en naar haar toelopen.

‘Waarom heb je al die plaatjes?’ zou ze vragen. Ja, een kind zou dat nog gewoon durven vragen.

 


Reageer ook