To & Ko Aflevering 2: Aangenaam

to-en-ko_2.jpg
Ko keek haar verbaasd aan: "Mijn zusje?" Hij had geeneens een broer, hij had niemand en nu op school deed iedereen of ze familie van hem waren.

De vrouw rukte aan zijn arm en zette hem naast een meisje met hele rare bolle ogen. Ze stak haar hand uit: "Hallo, ik ben To". En hij wist alleen maar iets te piepen van "Ko, aangenaam". Dat zeiden zijn ouders altijd als er gasten kwamen waar ze geen raad mee wisten. Aangenaam, ze bedoelden natuurlijk ‘rot op’, maar aangenaam klonk beter. En dan ging die ander altijd glimlachen, beleefd zelfs. To niet. Ze tuitte die vreselijke lippen en riep "Blub, blub, blubber, je mag niet liegen. Want dan ga je dood".

Ko keek verschrikt op. "Ik lieg niet. Ik heb nog niets beweerd. Ik zei alleen maar: ‘Aangenaam’. Dat heb ik zo geleerd."

To: "Je weet niet eens wat het betekent, dus je liegt. Mensen die iets zeggen wat ze zelf niet begrijpen, die zijn het ergste. Ben je soms een president?"
 

Een kus

Ko siste: "Stil, de juf komt eraan. We moeten niet laten merken dat we elkaar kennen".

To giechelde zachtjes: "Precies een president. Die kent ook iedereen die hij nooit ontmoet heeft. Als je me maar niet vermoordt of gebruikt, want dan geef ik je aan."

Ko peutte in haar zij: "Stil nou, straks worden we nog van school gestuurd."

To kuste hem ineens vol op de mond en voegde er in zijn oor aan toe dat ze vanaf nu niets meer zou zeggen, dat alle mensen de president altijd onverwacht probeerden te zoenen. 
 

Lachen

De bovenmeester controleerde de rij en opende de toegangsdeuren van de school. Ze waren van lood, zo zwaar gingen ze open. Ko veegde zijn lippen af met de rug van zijn hand en keek To aan: "Zulke dingen moet je niet doen. Ik houd niet van kussen en zeker niet met een meisje."

To haalde haar schouders op: "Als je zegt waar je wel van houdt, dan doen we dat toch. Ik vind alles leuk, zolang het om te lachen valt."

Ko: "Je moet zeggen: zolang er om te lachen valt."

To : "Hoe je het ook zegt, dat maakt toch niet uit? Als we maar lachen, ik wil altijd lachen, want dat maakt me blij. En blije mensen leven langer, die hoeven niet dood. Ik wil ook nog niet dood. Wat wil jij?"
 

De rij

Ko stapte ver terug en probeerde een andere plek in de rij te veroveren. To was wel spannend, maar een beetje gek. Hij had honger en zou het liefst zijn pakje brood uit de container gaan halen. De bovenmeester drukte ineens een hand in zijn rug. De rij was weg. Hij had niet opgelet en alleen maar naar To zitten luisteren. Mijn God, straks moest hij nog naast haar zitten, het hele jaar en moeder had nog gezegd dat hij niet bij een meisje in het bankje moest belanden. Meisjes maakten jongens gek. Hij werd het nu al, alleen door naast haar te staan. Hij zat nog nergens. Meisjes zijn monsters, die je opeten. 

De bovenmeester bracht hem in een kamertje met To. De school gonsde van andere stemmen die allemaal een lokaal vonden en hij stond hier meteen in het centrum waar je niet moest zijn. Bij de bovenmeester, met die verdomde To ernaast. Ze keek glazig naar hem, naar het bureau, naar de bovenmeester. Misschien keek ze wel altijd zo doorzichtig. Hij kende haar niet en wilde haar ook absoluut niet leren kennen. Hij had verdorie op deze eerste dag nog niemand verder kunnen zien, door dat gezeur van haar.

To keek hem aan en zei ineens scherp: "Ik heb helemaal niet gezeurd. Ik stond gewoon in de rij."

De directeur schraapte iets, waarschijnlijk zijn keel, want dat schrijven de mensen altijd in de boeken. Misschien was het iets anders, in elk geval vroeg hij de aandacht en keek ook met een belangrijke blik. 

Auteur Renée de Haan, tekeningen Mirjan van de Hel
Meer over Renée en Mirjan
Lees ook deel 1

Reageer ook