Onder water ben je droog van Kim Schreurs

Ik lig in het ondiepe water voor de kust en kijk naar Jamie die tot aan zijn kuiten in het water staat. Met zijn handjes schept hij een mengeling van schelpen, stenen en zand op uit de zee. Een deel ervan verdwijnt in de zakken van zijn Spidermanboxer. In zee zwemmen meiden van mijn leeftijd. Ik hoor ze schaterlachen terwijl ze elkaar nat spetteren en wedstrijdjes doen wie het snelst kan zwemmen of het langst onder water kan blijven. Af en toe werp ik steelse blikken in hun richting. Mijn broertje is nog steeds op zoek naar mooie schatten. Hij bekijkt elke centimeter strand en graait steentjes uit de zee. Hij lijkt me helemaal vergeten te zijn. Verderop spelen de meiden nu een potje volleybal in het water. Vanwaar ze staan, kun je dit deel van het strand goed zien. Ik sta op, strijk een natte haarlok uit mijn gezicht en zet mijn vrolijkste glimlach op. Dan loop ik hun richting uit.
Ik ben halverwege als iemand mijn naam roept. Ik kijk om. Op de plek waar ik net nog lag, staat mijn broertje om zich heen te kijken.
“Carmen!” Zijn blik glijdt over het strand.
Eén van de meiden valt op haar kont als ze probeert de bal terug te spelen. Iedereen lacht.
“Carmen?”
Ik zucht, draai me om en loop terug. Naast mijn broertje blijf ik staan. “Wat is er?”
“Kijk eens wat ik gevonden heb.”
Hij graait in zijn zakken en tovert een schelp tevoorschijn die helemaal onder de modder zit. Ik pak het ding uit zijn handen en houd het even onder water om het zand eraf te wassen. In zee verschijnen bruine wolkjes.
“Mooi hè?”
De schelp glimt in de zon.
“Ja.” Ik stop de schelp terug in zijn zak, terwijl ik me afvraag hoe ik Jamie de rest van de dag kan amuseren zodat onze ouders rustig hun boek uit kunnen lezen.  “Ja, mooi.”
Een paar meter verderop bouwen een paar jonge kinderen samen met hun vader een zandkasteel op het strand. Aan hun opgewonden stemmen en schaterlachjes te horen vinden ze het leuk. Deed onze vader die dingen maar.
“Zullen wij ook een kasteel bouwen?” probeer ik enthousiast.
Jamie werpt een achteloze blik op zijn leeftijdsgenootjes. “Ik hou niet van zand. Het kriebelt.”
Ik grinnik. “Dat is vervelend, want er zijn heel veel zandkorrels op aarde. Maar wist je dat er meer sterren zijn?”
Jamies ogen beginnen te stralen. “Echt waar?” vraagt hij.
“Echt waar,” bevestig ik. “En wist je dat het zand op het strand kan veranderen in glas als het geraakt wordt door de bliksem?”
Met grote ogen schudt mijn broertje zijn hoofd. Hij staart naar zijn voeten en grist een lichtgekleurd steentje uit zee. “Is dit gebliksemd zand?” Met zijn handjes omklemt hij zijn nieuwste aanwinst.
Ik vouw zijn vingers open. “Nee, dit is gewoon een steen. Laat maar liggen.”
Onze vader zwaait vanaf de boulevard en wenkt ons.
“Kom Jamie,” zeg ik terwijl ik het ding uit zijn hand pak, “we gaan.”
Ik til hem op. Mijn broertje slaat zijn armen om me heen. Zijn slap geworden zwembandjes kriebelen in mijn nek.
We laten ons droog kussen door de zon terwijl we op het terras een glas ijskoude cola drinken en de meegebrachte broodjes opeten. De hagelslag is klef geworden. Zo onopvallend mogelijk laat ik de chocolade verdwijnen tussen de planken van de vlonder, waarna ik mijn plakkerige vingers aflik.
Jamie peutert stukjes uit zijn witte puntjes zonder beleg. Hij eet om de donkere korst heen. Onze ouders merken het niet. Voordat we gingen eten, hebben ze allebei hun boek aan de kant gelegd. Nu zitten ze met een kaart op schoot te discussiëren over de snelste route naar huis. Ik houd me wijselijk stil en geef Jamie nog een puntje, zodat ook hij zijn mond houdt. De restjes van zijn eerste broodje eet ik zelf op.
Als ik het bewijs van zijn gespeel met eten heb laten verdwijnen, blaas ik lucht in Jamies zwembandjes. Mijn broertje is blij dat hij ze tijdens het eten even af mag. Grote jongens dragen geen bandjes, zei hij vanmorgen nog. En hij is een grote jongen, want hij heeft al drie zwemlessen gehad.
“Mag ik een ijsje?” vraagt Jamie.
Ik duw de stop dicht en gooi de oranje flap op een stoel. Mijn broertje heeft zijn tweede broodje op – of hij heeft het aan de vissen gevoerd; afgaande op de karpers die zich onder de vlonder verzameld hebben, lijkt me dat waarschijnlijker.
Ik houd mijn adem in en kijk naar mam, die geïrriteerd opkijkt.
“Alsjebliéééft,” zeurt Jamie.
“Nou vooruit, het is vakantie,” geeft ze toe. Ze wijst naar haar tas en ik pak haar beurs.
Aan het loket koop ik een softijsje met spikkels en een groen horentje. Ik geef het meteen aan mijn broertje. Jamie hapt enthousiast de top eraf en plant met zijn lippen vol spikkels een plakkerige kus op mijn wang. Voor hij drie happen genomen heeft, zit zijn hele gezicht al onder het ijs. Hand in hand lopen we terug naar ons tafeltje.
“Mam, ik ga nog even zwemmen.”
Ze kijkt niet op. “Neem je broertje mee. En haal die rotzooi uit de zakken van zijn zwembroek. Je denkt toch niet dat ik dat vieze ding zo meeneem? Het is al erg genoeg dat je vader de vorige keer schoenen die vol zaten met zand in een koffer stopte. Ik heb geen zin om alles nog een keer schoon te maken.”
Ik zucht en gris de bandjes van de zitting. “Wie als laatste bij de lantaarnpaal is, doet vanavond de afwas!”
We sprinten richting zee. Gesmolten ijs loopt over het groene horentje naar beneden en druppelt op de vlonder. Op het hout blijven natte plekken achter als een herinnering aan ons.
Halverwege de vlonder, bij de eerste lantaarnpaal, komt er een einde aan de afrastering die om het terras heen staat.
“Arm,” beveel ik.
Jamie klemt zijn armen tegen zijn lijf. “Nee, ik wil niet.”
“Arm, of ik breng je terug naar papa en mama.”
Jamie trekt een pruillip, maar hij blijft braaf staan als ik zijn arm pak en die door één van de zwembandjes begin te wurmen. Centimeter voor centimeter duw ik het ding verder naar boven. Het zweet staat op mijn voorhoofd als het bandje eindelijk min of meer op zijn plek zit. Ik veeg het weg en pak Jamies linkerarm.
Het andere bandje gaat nog stroever. Ik draai eraan in de hoop dat dat helpt en zie dan dat er aan de zijkant een ‘R’ op staat. Ik onderdruk een vloek. Ondertussen likt Jamie aan zijn ijsje, wat het nog moeilijker maakt het bandje omhoog te schuiven.
“Laat maar!” Ik zucht gefrustreerd, ruk de flap van zijn arm en gooi hem op de vlonder.
“Niet alleen gaan zwemmen,” waarschuw ik. “Blijf hier en eet je ijsje op. Ik ben zo terug.”
Ik spring in het water. Het is dieper dan ik dacht; als ik op mijn tenen sta, blijft alleen mijn hoofd droog. Ik watertrappel en zwaai naar Jamie. Hij zwaait terug. Met een handvol water veeg ik zijn ijskus weg.
Ik adem diep in en duik onder. Een paar meter verder kom ik weer boven. Met mijn hoofd breek ik het wateroppervlak. Onder water leek ik droog, maar nu de lucht mijn huid kietelt, vormen zich druppels op mijn gezicht. Gek dat je eigenlijk pas echt nat wordt als je uit het water komt. Ik neem me voor Jamie vanavond daar op te wijzen.
Ik zwem een stukje en geniet van de rust nu ik alleen ben. Vanaf het strand klinken gedempte stemmen, maar voor het eerst deze vakantie roept niemand mijn naam. Ik sluit mijn ogen terwijl ik verder naar de kust toe zwem.
Iets zachts drijft tegen mijn hoofd. Ik open mijn ogen en zie dat het een strandbal is. Een man zwemt mijn richting uit. Als ik de bal aarzelend uit het water vis, gaat hij staan en gebaart naar me. Met mijn voeten tast ik naar de grond. Zodra ik die gevonden heb, werp ik het speeltje in zijn richting. Hij vangt het, gooit het naar een jongetje dat verderop in zee staat en steekt zijn duim naar me op voor hij zich weer omdraait. Het ventje, waarschijnlijk zijn zoontje, rent ondertussen achter de bal aan die alweer gestolen is door de golven.
Ik denk aan vroeger toen mijn eigen vader nog spelletjes met me deed. Sinds hij en mama elke avond stilletjes ruziën als ze denken dat ik slaap, is hij nooit meer in de stemming. Hij heeft nog nooit met de bal gespeeld met Jamie.
Jamie. Ik word warm vanbinnen als ik aan mijn broertje denk en heb er meteen spijt van dat ik hem achtergelaten heb zodat ik even alleen kon zijn. Ik draai me om, kijk naar de vlonder en steek mijn hand al in de lucht om op mijn broertje te zwaaien als ik besef dat hij er niet meer staat. Alleen het bandje ligt er nog. Van schrik adem ik een golf water in. Het zoute zeewater laat een nare smaak achter in mijn mond.
Zo snel ik kan, zwem ik naar de plek waar ik Jamie het laatst gezien heb. Onder de vlonder drijft een oranje voorwerp. Op het bandje staat de letter ‘L’.
Ik zit op de vlonder met mijn benen bungelend over de rand, naast een plas gesmolten ijs en een aangevreten, groen horentje, als een man het lichaampje uit het water haalt. Uit de zakken van de Spidermanboxer lopen stroompjes drab die verder kronkelen over de benen van mijn broertje. Zijn gezicht is nog bleker dan dat van mijn moeder, die zich met op elkaar geperste lippen vastklampt aan mijn vader.
Vanaf de vlonder spring ik in zee, terwijl de man naast mijn broertje hurkt en zich over hem heen buigt.
Onder water lopen de tranen droog over mijn wangen.

 

Win mooie Hunger Games prijzen!

Meer Gratis spullen kijk op Gratisvoorvrouwen.nl

// <![CDATA[
var uri = 'http://impnl.tradedoubler.com/imp?type(img)g(21176146)a(1506742)' + new String (Math.random()).substring (2, 11);
document.write('‘);
// ]]>


4 reacties

Geraldine -

Mooi klein geschreven. Boeiend en gevoelig.

a -

Geweldig verhaal van het begin tot einde boeiend

Mirjam Hildebrand -

Prachtig geschreven.

Sylvia -

Mooi verhaal, fijne schrijfstijl; je zou een verdiende winnares zijn 😉

Reageer ook