Zes jaar geleden leek de toekomst van Merel en haar vriend Jan-Joost helder en overzichtelijk. Toen hun zoontje Titus werd geboren, zaten ze op een roze wolk. “We waren zó gelukkig,” vertelt Merel. “Alles voelde vanzelfsprekend. We droomden hardop over een groot gezin, over vakanties met meerdere kinderen, een druk huis.” Dat ze het niet meteen hadden doorgezet met een tweede zwangerschap, voelt achteraf bijna als toeval. “Nu ben ik daar eigenlijk heel dankbaar voor.”
Een ander tempo
Toen Titus ongeveer een jaar oud was, begonnen de eerste twijfels. Bij het consultatiebureau viel op dat hij zich anders ontwikkelde dan leeftijdsgenootjes. Hij kroop nog niet, brabbelde nauwelijks en maakte weinig oogcontact. “In het begin denk je nog: elk kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo,” zegt Merel. “Maar ergens voelde ik dat er meer aan de hand was.” Na een periode van onderzoeken volgde de diagnose: Titus heeft een verstandelijke én lichamelijke beperking. Het nieuws kwam hard aan. “Dat was echt even slikken. Je hele toekomstbeeld valt in één klap weg.” Al snel werd ook duidelijk wat dit concreet betekende: Titus zal nooit leren lopen, niet leren praten en niet zindelijk worden.
Leven met zorg
Inmiddels is het gezin een paar jaar verder. Titus woont gewoon thuis en Merel is minder gaan werken om een groot deel van de zorg zelf op zich te nemen. “Het is zwaar, daar ben ik eerlijk over,” zegt ze. “De zorg is continu. Titus is volledig afhankelijk van ons.” Tegelijkertijd benadrukt ze dat ze hun weg hebben gevonden. “We hebben een ritme, we weten wat hij nodig heeft. Het lukt. Niet altijd makkelijk, maar het lukt.” De wens voor een groot gezin is sinds de diagnose langzaam naar de achtergrond verdwenen. “Ik vind het uitdagend genoeg met één kind,” zegt Merel. “Mijn leven draait grotendeels om zorg, plannen, regelen. Ik heb simpelweg niet de ruimte – emotioneel en praktisch – om er nog een kind bij te hebben.”
Verschillende perspectieven
Jan-Joost kijkt daar anders tegenaan. Hij vindt dat de beperkingen van Titus hun leven niet te veel moeten bepalen. “Hij zegt vaak: ‘Hoe gezellig zou het zijn, nog een kindje erbij?’” vertelt Merel. “Volgens hem kan een tweede kind ook licht en lucht brengen in ons gezin.” Hij stuurt aan op meer ondersteuning: extra thuiszorg, dagopvang en soms zelfs weekendopvang voor Titus. “In zijn ogen maakt dat ruimte,” zegt Merel. “Maar voor mij voelt dat niet goed.” Ze worstelt met het idee om zorg uit handen te geven. “Ik heb Titus niet voor niets zelf op de wereld gezet. De gedachte dat hij ergens anders is omdat wij ‘ruimte’ nodig hebben, schuurt enorm.”
De rek is eruit
Wat Jan-Joost soms onderschat, denkt Merel, is hoe vol haar dagen al zijn. “Ik weet soms nu al niet hoe ik alles moet bolwerken. De nachten zijn kort, de zorg stopt nooit. Ik ben moeder, verzorger, planner en mantelzorger in één.” Ze vraagt zich af wat er zou gebeuren als ze haar aandacht zou moeten verdelen over nog een kind. “Ik ben bang dat ik dan overal tekortschiet. Bij Titus, bij een tweede kind, en bij mezelf.” Die gedachte roept schuldgevoelens op. Richting Jan-Joost, maar ook richting een mogelijk tweede kind dat er nooit zal komen. “Ik vraag me soms af: ontneem ik Jan-Joost iets? Ontneem ik Titus een broer of zus?” Tegelijk voelt ze een duidelijke grens. “Mijn lijf en hoofd zeggen: dit is genoeg.”
Egoïstisch of eerlijk?
De vraag of ze egoïstisch is, blijft knagen. “Soms lijkt het alsof ik degene ben die op de rem staat, terwijl hij vooruit wil,” zegt Merel. “Alsof ik degene ben die het geluk van ons gezin tegenhoudt.” Maar wanneer ze dieper in zichzelf kijkt, voelt het anders. “Ik denk niet dat dit egoïsme is. Ik denk dat het eerlijk is.” Eerlijk over wat ze aankan. Eerlijk over haar energie, haar draagkracht en haar grenzen. “Ik wil een goede moeder zijn voor Titus. En ik wil overeind blijven als mens.” Ze is bang dat ze dat laatste kwijtraakt als ze over haar eigen grenzen heen gaat.
Geen eenvoudige uitkomst
Het gesprek over een tweede kind is nog lang niet afgerond. “We praten er veel over,” zegt Merel. “Soms rustig, soms emotioneel.” Ze hoopt dat er ruimte blijft voor elkaars perspectief, ook al liggen die ver uit elkaar. “Ik begrijp zijn wens. Echt. Maar ik hoop ook dat hij mijn ‘nee’ wil zien als wat het is: geen afwijzing van hem of van een gezin, maar een poging om ons leven leefbaar te houden.” Of ze ooit anders zal denken, weet Merel niet. “Misschien verandert er iets, misschien ook niet.” Voor nu probeert ze te vertrouwen op haar gevoel. “Want als ik iets heb geleerd de afgelopen jaren, dan is het dat je grenzen negeren uiteindelijk niemand helpt.”
Afbeelding: Freepik
