Ka fietst stralend door de regen

Het was zo’n dag. Eentje waarop ik ’s ochtends om kwart over vijf een beker kwark uit mijn handen liet vallen. Niet zo’n truttig half liter bakje, welnee gewoon een liter. Ik trok het dekseltje ervan af, de bak schoof weg en vloog door de keuken. Om half zes had ik een blinkend schone keuken. Mooi meegenomen, maar ik had niet gepland mijn dag zo te starten.  

Toen ik de jongens naar school fietste, begon het te regenen. Heel hard. Ik haalde diep adem. Probeerde stralend te blijven kijken terwijl ik doorweekt raakte. Ik had in een tijdschrift gelezen dat het niet uitmaakte of je in een regenbui boos keek of lachte. Nat werd je toch. Het koste mij moeite om te grijnzen en te fietsen.

“Vanderkaa. Ik heb een spoedje. Kun jij heel snel een artikel schrijven over mensen met een beperking die een restaurant hebben geopend? Is voor morgen.” Ik keek naar buiten. Het was droog. Ik pakte pen en papier en sprong op mijn fiets. Van noord naar zuid. Kwartiertje, hooguit. Bij de receptie stond ik te wachten op mijn interviewafspraak. Rond mijn voeten ontstond een plasje water. Mijn broek was doorweekt. Mijn haar plakte in sliertjes op mijn hoofd. “Regent het?” vroeg de mevrouw van de receptie.

Vrolijk kwam de dame waarmee ik een gesprek had, aanlopen. Ze zette een kop koffie voor me neer. “Ben zo terug, even mijn spullen halen.” Ik trok mijn natte jas uit. Hing ‘m over mijn stoel. Ik keek om me heen. Drie oudere dames zaten aan een tafel. Vertelden elkaar de laatst nieuwtjes. Bijvoorbeeld over zij van nummer 17. Al gehoord? Dood in bed gevonden. Gewoon in haar slaap. Kind, ik teken ervoor. De grijste van het stel roerde in haar koffie. Zei dat ze het allemaal maar niks vond, dat doodgaan. “Geen ontkomen aan, Bep. Zo is het leven,” zei haar vriendin.

Ze kwam opeens uit het niets van links en ging naast me zitten. Of liever gezegd: ze posteerde zich in mijn persoonlijke cirkel. “Ben jij nieuw hier?” vroeg het meisje terwijl ze haar bril tegen haar neus aan schoof. “Ik ken jou niet. Nooit gezien. Ik vind je mooi.” Haar stem was zacht en lijzig. Haar adem rook een beetje zurig. Ik vertelde wat ik kwam doen. Schrijven. Maar dat vond ze fantastisch. Ze kon het alleen niet zo goed. “Ik wel,” grijnsde ik. Mijn stoel schoof ik een stukje opzij. “Weet je waar ik wel goed in ben?” vroeg ze. Ik schudde mijn hoofd. Had een vaag vermoeden dat ze het mij ging vertellen. Ze stond op en pakte mijn hand. Zo liepen we naar de balie waar je broodjes en koffie kon kopen. Bovenop de vitrine met gebakjes, stond een mand. Ze pakte het. “Deze kaarten heb ik zelf gemaakt. Ik verkoop ze en het geld dat ik daarmee verdien geef ik aan het goede doel. Aan Kika. Ken je dat?” Ik knikte. Zag voor me hoe ze ’s avonds de 3D-kaarten in elkaar knutselde. Puntje van haar tong uit haar mond. Ik kon wel verzinnen hoe ze geconcentreerd de figuurtjes uitknipte en de gouden ‘hartelijk gefeliciteerd’-letters op het kartonnetje plakte.

Ik kocht er vijf. Ze telde het geld vier keer na, pakte mijn schouders vast en gaf me drie natte zoenen. “Ik vind jou leuk. Jij helpt me. En kinderen met kanker.” Ze zette het mandje weer bovenop de vitrine.

Toen ik mijn interview had gedaan, nogmaals had gezwaaid naar mijn kaarten-vriendin en opstapte, regende het nog steeds. Of weer.

Ik probeerde stralend te kijken. Deze keer lukte het.

Karin van Leeuwen (45 jaar) is eigenaar van tekstbureau De Gooise Pen. Heeft meer dan twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee mannen Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven (momenteel is ze druk met een boek!) is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool voor spinninglessen en krachttrainingen. Alledrie haar mannen atletieken en Bob en Tom doen daarnaast aan freerunning.


Reageer ook