Babeth Knol, Spits

Er is een relatie op de klippen. Die van de vrouw naast mij op het bankje, of die van haar chatpartner: het lukt me niet om het te achterhalen. Mijn ogen verliezen hun focus door het geschommel van de trein en het zachte geruis van voorbijrazende Vinexwijken. Het oplichtende scherm van mijn buurvrouws telefoon versmelt met het ritmisch patroon van de volle ochtendtrein. Op volle stoelen zitten mensen schouder aan schouder in grijs, beige, stemmig donkerblauw. Hun gezichten gebogen naar de eerste werkmails, ze vangen in het geniep Pokémon en ‘liken’ baby’s, diners, voeten in slippers op een vakantiestrand. Smaakvolle oorbellen bungelen op het ritme van het spoor, hoge hakken tikken de haltes weg. Ook de details komen niet los van de achtergrond van mijn morgen.

Buiten schijnt de vroege zon fel. Ik vlij mijn wang tegen het warme raam en sluit heel even mijn ogen. In gedachten ben ik niet in vol ornaat onderweg naar een dag op kantoor. In gedachten vlij ik mezelf neer in de tuin van mijn ouderlijk huis. Mijn lijf op een gebloemd matje in jaren ‘70 kleuren, mijn blote benen in het gras. Ik luister naar de zomer. Mijn moeders tuin is zoals een tuin hoort te zijn. Weelderig, geurend, kleurrijk en keurig binnen de perken. Op twee meter na. Twee meter, helemaal achterin de tuin. Onzichtbaar voor kritische buren is daar het gras ontsnapt aan de maaier en groeit zonder bemoeienis. Er bloeien wilde bloemen, onkruid woekert. Een muisje vond beschutting onder de lange halmen en bouwde er zijn nest. Ook mijn moeder doet er soms een dutje. De platte afdruk van haar contouren blijft nog dagenlang zichtbaar. Een stille getuige van haar uitstapjes naar hoe het niet hoort.

Door een luid geproest schrik ik op uit mijn dagdroom. Een afdruk van mijn wang blijft achter op het raam als ik rechtop ga zitten en de coupé rondkijk. De vrouw van de telefoon is verdwenen. Twee stoelen verder zit een meisje van een jaar of 25. In de hand houdt ze een dik boek. Ze veegt een traan uit haar ogen en probeert zonder veel overtuiging om haar lachen in te houden. Het mislukt. Haar vrolijkheid doorbreekt het dommelende ritme. Het komt haar op een paar verstoorde blikken te staan. Ze knikt vriendelijk terug, voordat ze met een glimlach terug in haar boek duikt. Bij iedere giechel rukt iemand zich los van zijn telefoon, maar het meisje kijkt niet meer op. Ze draagt felrode schoenen en een gele tas. Een weerbarstige lok valt voor haar ogen, haar rok zit een beetje scheef. Een plukje wild gras in het gelijkmatige gazon van de ochtendspits.

 

1 reactie

Zoe -

Dag Babeth,
Ik vond het niet best, de winnaar. En de rest van het rijtje ook niet echt. Behalve jouw verhaal. Jij had moeten winnen! De stijl is zorgvuldig, de woorden zijn mooi, het thema wordt licht geraakt maar wel geraakt en er zit humor, vaart en een beetje melancholie in. Gefeliciteerd dus (en blijf schrijven).
Greetz,
Zoe

Reageer ook