Annette Akkerman, De wilden

De twee blonde knulletjes zitten samen met grote slaapogen op het bed. Iedere dag zijn ze bekaf na alle avonturen die we op deze reis beleven. De dag van morgen spreekt echter zo tot de verbeelding, dat ze de slaap niet kunnen vatten en nog vol vragen zitten. De aankondiging van de reisleidster dat we op bezoek gaan bij wilde stammen en daar ook blijven slapen op de grond in een hutje heeft indruk gemaakt. De fantasie van onze jongens van zes en acht, is op hol geslagen door de ‘wilden’.

‘Wat doen ze dan?’ vraagt Daan van zes.
‘Wie?’
‘Die wilden’, helpt Sjoerd zijn broer.
‘Ze zijn niet heel wild. Ze leven zoals de mensen van vroeger’, probeer ik.
‘Zoals opa en oma? Dat is toch niet leuk met zo’n oude televisie en hebben ze dan ook geen afwasmachine?’
‘Ze hebben helemaal geen televisie, geen afwasmachine en zelfs geen wasmachine’, bluf ik. ‘Het zijn mensen die niet vaak blanke mensen zien en die nog heel dicht bij de natuur leven.’

Ik zie dat Daan en Sjoerd zich een beeld proberen te vormen.
‘Moeten we dan in de auto blijven zitten?’

Vorig jaar zijn we in Tanzania op safari geweest en hebben we de kinderen op het hart gedrukt om vooral alle ledematen binnen de terreinwagen te houden.
‘Nee jongens, dat valt wel mee. We gaan toch bij ze slapen.’
‘Ze eten wel mensen op. Dat heb ik op televisie gezien,’ gooit Sjoerd in het gesprek.

Voordat ik dit kan ontkrachten begint Daan te huilen. Grote uithalen en binnen de kortste keren zit zijn frisgewassen gezicht onder het snot.

Die avond wordt het laat. We zijn blij als om elf uur de gemoederen gekalmeerd zijn en ze lekker slapen. We zijn tot de conclusie gekomen, dat we niet naar de stammen zouden gaan als het werkelijk gevaarlijk is en papa is er om ons te beschermen.

Het busje hobbelt over de weg vol kuilen en gaten. Het heeft vannacht hevig geregend en ik ben er niet gerust op dat we niet vast komen te zitten of over de rand van het diepe ravijn zullen glibberen. Daan en Sjoerd interpreteren mijn onrust op de verkeerde manier. De kopjes trekken wit weg ondanks de wagenziektetabletten.

‘Als je vast komt te zitten, nemen ze je gevangen en snijden je hart eruit’, zo houdt Sjoerd de moed erin.
‘Sjoerd! Houd op met die verhalen.’
‘Of ze stelen je schoenen’, doet Daan een duit in het zakje.

En wat ik bevreesde, gebeurt. Onze bus zit vast. Met zijn allen proberen we de bus los te duwen. Achter ons stopt een blauwe pick-up truck met four-wheel drive. Twee grote donkere mannen stappen uit. Sjoerd en Daan deinzen terug en bekijken de mannen met grote angstogen. De mannen zijn echter heel wat beter op deze wegen voorbereid dan wij. In de laadbak van hun truck hebben ze twee planken. Het is duidelijk dat ze dit akkefietje vaker bij de hand hebben gehad. Als we vlot getrokken zijn, uiten we onze dankbaarheid en vertrekken ze.

Een half uur later doemt het dorp op. De jongens hebben net bij de stop speren verzameld, uit voorzorg. Met de speer in aanslag stappen ze uit. Het is een korte wandeling tot op het dorpsplein, een open veldje tussen houten hutjes. Een ontvangstcomité staat klaar. ‘Echte wilden’, zo gaat het door de groep. De vrouwen hebben een ontbloot bovenlijf en de mannen dragen speren en peniskokers. Het ziet er angstaanjagend uit. Opgelucht halen we ademen als twee van de mannen vrolijk naar ons zwaaien.

 

Reageer ook