Karin (42) is alleenstaande moeder van vier kinderen en werkt fulltime. Gelukkig kan ze rekenen op Fatima, die drie middagen per week de jongste twee kinderen uit school haalt en het middagprogramma thuis draait. Ze is lief, betrouwbaar en helpt zelfs met huiswerk. Karin is haar ontzettend dankbaar. Toch is er iets waar ze steeds meer tegenaan loopt: Fatima ruikt volgens haar sterk naar oud zweet en etenslucht. Ook de kinderen beginnen er opmerkingen over te maken. Karin durft er niets van te zeggen, uit angst haar steun en toeverlaat te kwetsen. ‘Ik wil haar niet beledigen, maar ik kan toch ook niet iedere middag doen alsof ik niets ruik?’
Een steun en toeverlaat
Karin is 42 en staat er als alleenstaande moeder grotendeels alleen voor. Haar vier kinderen zijn om het weekend een paar dagen bij hun vader, maar de rest van de tijd rust het draaiend houden van het gezin op haar schouders. Naast haar fulltimebaan moet ze zorgen dat iedereen op tijd op school komt, er gegeten wordt en het huis een beetje op orde blijft. Dat lukt, maar makkelijk is het niet.
Gelukkig heeft ze hulp. Haar moeder is twee dagen per week beschikbaar en de andere drie middagen haalt Fatima de kinderen uit school. ‘Ik ben echt ontzettend blij met haar’, vertelt Karin. ‘Ze is altijd op tijd, heeft een rijbewijs en denkt met me mee. De oudste kinderen helpt ze met hun huiswerk en met de jongsten kan ze ook heel goed overweg. Ik hoef me geen zorgen te maken als ik op mijn werk zit. Dat is me heel veel waard.’
Juist daarom vindt Karin het zo moeilijk om te vertellen wat haar dwarszit. Want hoewel ze Fatima op bijna alle vlakken een geweldige oppas vindt, is er één ding waar ze zich steeds meer aan begint te ergeren. ‘Fatima ruikt gewoon niet fris. Het is een combinatie van etenslucht en oud zweet. Zodra ik thuiskom, ruik ik het meteen. Soms ruik ik zelfs precies wat ze de avond ervoor heeft gegeten.’
Het valt de kinderen ook op
In het begin probeerde Karin het van zich af te zetten. Iedereen heeft weleens een minder frisse dag en ze wilde er niet te zwaar aan tillen. Maar helaas is het een terugkerend probleem. Fatima draagt naar Karins idee vaak dezelfde kleding en Karin vraagt zich af of ze wel regelmatig doucht. ‘Ik wil niet meteen conclusies trekken, want ik weet natuurlijk niet hoe ze thuis leeft. Misschien heeft ze het druk, misschien speelt er iets anders. Ik wil haar ook niet veroordelen. Maar ik merk dat de geur me steeds meer opvalt en dat ik me er inmiddels echt aan stoor.’
Het vervelendste vindt Karin dat de kinderen het inmiddels ook benoemen. Ze zijn dol op Fatima, maar vinden haar geur niet prettig. ‘Ze zeggen weleens dat ze haar geen knuffel willen geven omdat ze niet lekker ruikt. Dat vind ik heel naar. Ik wil niet dat mijn kinderen iemand kwetsen, zeker niet iemand die zo goed voor ze zorgt. Tegelijkertijd kan ik ze ook niet kwalijk nemen dat ze iets ruiken wat ze vervelend vinden.’
Karin probeert de opmerkingen van de kinderen niet groter te maken dan nodig. Ze legt uit dat je voorzichtig moet zijn met wat je tegen iemand zegt en dat Fatima heel veel voor hen doet. Toch blijft het onderwerp terugkomen. En iedere middag als Karin thuiskomt, wordt ze opnieuw met haar dilemma geconfronteerd.
Hoe geef je zoiets aan?
Karin heeft al verschillende keren overwogen om er iets van te zeggen. Maar zodra ze bedenkt hoe ze het gesprek zou moeten beginnen, blokkeert ze. ‘Wat moet ik zeggen? “Fatima, je ruikt niet lekker, zou je voortaan willen douchen en deodorant gebruiken?” Als ik het zo uitspreek, klinkt het ontzettend bot. Ik zou me zelf enorm schamen als iemand dat tegen mij zei.’
Een vriendin stelde voor om Fatima een lekkere deodorant of een fles douchegel cadeau te doen. Maar ook dat voelt voor Karin niet goed. ‘Dan snapt ze misschien alsnog wat ik bedoel, maar het voelt zo passief-agressief. Ik wil haar niet via een omweg duidelijk maken dat ik haar vind stinken. Als ik er iets van zeg, wil ik dat liever op een normale, respectvolle manier doen.’
Toch vraagt ze zich af of ze überhaupt het recht heeft om zich ermee te bemoeien. Fatima is tenslotte geen familielid, maar iemand die ze betaalt om op haar kinderen te passen. Aan de andere kant vindt Karin dat persoonlijke verzorging ook bij een werkrelatie hoort. ‘Ik zou het zelf ook vervelend vinden als ik ergens werkte en mijn collega’s last hadden van mijn lichaamsgeur zonder dat iemand het me vertelde. Misschien zou ik het juist fijn vinden als iemand het voorzichtig aangaf. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.’
Bang om haar kwijt te raken
Wat de situatie extra ingewikkeld maakt, is dat Karin Fatima absoluut niet wil verliezen. Ze weet hoe lastig het is om iemand te vinden die betrouwbaar is en goed met haar kinderen kan omgaan. Ze heeft verhalen genoeg gehoord over oppassers die regelmatig afzeggen of zich niet aan afspraken houden. Fatima is voor haar gezin veel meer dan iemand die de kinderen uit school haalt. ‘Als ze morgen zou stoppen, heb ik echt een probleem. Ik kan niet zomaar drie middagen per week vrij nemen van mijn werk. En ik wil ook niet dat ze zich na zo’n gesprek ongemakkelijk voelt en vervolgens met tegenzin bij ons komt. Dat zou ik vreselijk vinden.’
Tegelijkertijd merkt Karin dat ze de irritatie steeds moeilijker kan verbergen. Soms baalt ze ervan dat ze er überhaupt op let, omdat ze liever gewoon blij zou zijn met alle hulp die ze krijgt. ‘Ik voel me bijna ondankbaar dat ik hierover klaag. Er zijn zoveel dingen die Fatima goed doet. Dan lijkt het zo kleinzielig om over een geur te beginnen. Maar als iets je iedere dag stoort, is het blijkbaar toch niet zo klein.’
Afbeelding: Unsplash+




Joris -
Betaal je Fatima wel voldoende? Ik bedoel: kan ze wel om de dag douchen en heeft ze wel geld voor voldoende kleding om af te wisselen en te wassen?