Lizzy en Sam zijn inmiddels tien jaar samen en hebben een samengesteld gezin. “Sam heeft een zoon van zestien en ik heb een zoon van vijftien. Gelukkig kunnen de jongens het goed met elkaar vinden. Dat is natuurlijk het allerbelangrijkste.” Toch is er één onderwerp waar de sfeer inmiddels regelmatig over omslaat: de slaapkamer. Als beide jongens bij Lizzy en Sam zijn, moeten ze namelijk een kamer delen. “En daar hebben ze sinds een jaar echt geen zin meer in.”
Ze hebben een prima kamer
De kamer die de jongens delen is volgens Lizzy helemaal niet klein of ongezellig. “Er staat een mooi stapelbed, ze hebben allebei een eigen bureau en we hebben een grote kledingkast waar ze hun spullen in kwijt kunnen.” Toen de jongens jonger waren, was er dan ook nooit een probleem. “Ze vonden het eigenlijk wel gezellig. Ze konden ’s avonds nog kletsen en hadden elkaar altijd in de buurt.” Maar inmiddels zijn ze vijftien en zestien en is er duidelijk iets veranderd.
“Ze zijn allebei op een leeftijd waarop ze behoefte hebben aan privacy. Dat snap ik ook echt wel.” Lizzy weet nog hoe belangrijk het was om als puber af en toe alleen te kunnen zijn. “Je wilt soms gewoon de deur dichtdoen, muziek luisteren, op je telefoon zitten of even helemaal niemand om je heen hebben.” Alleen is er in hun huis simpelweg geen extra slaapkamer beschikbaar. “We hebben niet ergens nog een kamer die we kunnen ombouwen.”
Groter wonen zit er niet in
Lizzy en Sam hebben wel gekeken naar de mogelijkheden, maar groter wonen is financieel geen eenvoudige optie. “We kunnen het ons eigenlijk niet veroorloven om nu een groter huis te huren of kopen.” Bovendien vinden ze het ook niet logisch om voor een paar jaar een veel groter huis te nemen. “De jongens zijn vijftien en zestien. Over een paar jaar gaan ze waarschijnlijk studeren en misschien op kamers. Dan wonen we hier weer met z’n tweeën.”
Voor Lizzy en Sam voelt een verhuizing daarom niet als een realistische oplossing voor een tijdelijk probleem. “We zouden enorm veel meer geld kwijt zijn voor iets waarvan we weten dat het over een paar jaar waarschijnlijk helemaal niet meer nodig is.” Ze proberen daarom op een andere manier met de situatie om te gaan. “We plannen het zo veel mogelijk, zodat de jongens niet tegelijk bij ons zijn.”
Meestal lukt dat prima
In de praktijk gaat dat volgens Lizzy meestal goed. “Ze hebben natuurlijk ook een andere ouder en de jongens zijn niet altijd op dezelfde momenten bij ons. Daardoor kunnen ze vaak gewoon allebei een eigen kamer hebben.” Alleen zijn er weekenden, vakanties of andere momenten waarop dat niet lukt. “En juist dan begint het gedoe.” De jongens hebben inmiddels namelijk een heel duidelijk idee over hoe hun probleem moet worden opgelost.
“Ze hebben samen bedacht dat Sam en ik dan maar op een luchtbed in de woonkamer moeten slapen.” Lizzy moest daar in eerste instantie vooral om lachen. “Ik dacht echt: jullie zijn serieus?” Maar dat bleken ze te zijn. “Ze vinden het een heel logische oplossing. Wij slapen in de woonkamer, zij krijgen allebei een eigen kamer en iedereen is tevreden.”
Ze zijn er opvallend stellig over
De jongens hebben hun plan volgens Lizzy ook behoorlijk goed voorbereid. “Ze zeggen dat het maar om een paar nachten gaat en dat wij toch volwassen zijn en best in de woonkamer kunnen slapen.” Ze wijzen er bovendien op dat het hun privacy enorm zou verbeteren. “Ze zeggen: jullie kunnen toch gewoon samen op een luchtbed liggen? Wij zijn bijna volwassen en willen gewoon onze eigen ruimte.”
Lizzy begrijpt hun argument, maar vindt het tegelijkertijd een vreemde omgekeerde wereld. “Ik denk dan: wacht even, dit is óns huis. Sam en ik betalen de hypotheek, de boodschappen en alle rekeningen. Natuurlijk mogen jullie aangeven wat jullie vervelend vinden, maar betekent dat dan ook dat wij onze slaapkamer moeten afstaan?”
Hun vrienden vinden dat ze gelijk hebben
Wat Lizzy nog meer aan het twijfelen heeft gebracht, is dat steeds meer vrienden van de jongens hun kant kiezen. “Ze vertellen dit natuurlijk aan hun vrienden en die vinden het allemaal heel logisch dat wij op een luchtbed gaan slapen.” Een paar ouders in haar omgeving reageren volgens haar zelfs begripvol. “Dan hoor ik: ach, het zijn pubers, ze hebben toch recht op privacy?”
Dat maakt Lizzy onzeker. “Want natuurlijk wil ik niet de ouder zijn die zegt: pech gehad, zoek het maar uit.” Ze begrijpt dat de jongens geen kleine kinderen meer zijn. “Ik wil serieus nemen dat ze privacy nodig hebben. Alleen vind ik niet dat hun behoefte automatisch betekent dat wij onze eigen slaapkamer moeten opgeven.”
Ik snap dat ze privacy willen
Lizzy benadrukt dat ze de jongens absoluut niet egoïstisch vindt. “Ik vind het eigenlijk juist mooi dat ze samen over een oplossing hebben nagedacht. Ze hebben geen ruzie met elkaar en willen elkaar ook helemaal niet kwijt. Ze willen gewoon allebei een plek waar ze zich kunnen terugtrekken.” Dat vindt ze heel begrijpelijk. “Als ze allebei zeggen dat ze het echt vervelend vinden om een kamer te delen, wil ik daar ook niet zomaar overheen stappen.”
Toch zit daar voor haar een grens. “Privacy is belangrijk, maar je hebt als puber natuurlijk niet automatisch recht op een eigen slaapkamer als die er simpelweg niet is.” Ze vindt dat ze samen moeten zoeken naar oplossingen binnen de mogelijkheden die ze hebben. “We kunnen geen extra kamer creëren en we kunnen niet groter wonen. Dan houdt het op een gegeven moment gewoon op.”
Sam wil ook niet op een luchtbed
Sam denkt er volgens Lizzy hetzelfde over. “Hij zegt ook: ik ga niet mijn eigen slaapkamer uit omdat onze kinderen vinden dat ze een kamer voor zichzelf moeten hebben.” Dat betekent niet dat hij geen begrip heeft voor de jongens. “Hij vindt hun behoefte aan privacy heel normaal. Maar hij vindt het ook belangrijk dat ze leren omgaan met de situatie zoals die is.”
Volgens Lizzy speelt nog iets anders mee. “Als we iedere keer op een luchtbed in de woonkamer moeten slapen wanneer de jongens er allebei zijn, voelt ons huis uiteindelijk niet meer als ons huis.” Ze wil niet dat hun gezamenlijke slaapkamer een soort luxe wordt waar de kinderen automatisch voorrang op hebben. “Wij wonen hier ook. We mogen toch ook gewoon een plek hebben waar we ons kunnen terugtrekken?”
Afbeelding: Unsplash


