Al jarenlang gaan de kinderen van Kim en Hans met grote regelmaat bij opa en oma logeren. “Eigenlijk al sinds ze peuter zijn,” vertelt Kim. “De ouders van Hans zijn met pensioen, voelen zich fit en zijn dol op onze kinderen.” Het zijn bovendien hun enige kleinkinderen, dus aan aandacht en verwennerij geen gebrek. “Er staat altijd iets lekkers klaar, ze mogen langer opblijven en opa bakt pannenkoeken in de ochtend.”
Iedereen blij
Voor alle betrokkenen leek het jarenlang een ideale situatie. “De kinderen vinden het geweldig om daar te zijn,” zegt Kim. “En opa en oma genieten er zichtbaar van.” Voor Kim en Hans heeft het ook voordelen. “Wij werken allebei fulltime en als de kinderen daar logeren, hebben wij eindelijk weer eens een avond samen. We gaan uit eten, naar de bioscoop of doen gewoon even helemaal niks.” Volgens Kim voelde het als een win-winsituatie. “Iedereen blij, dus wat is het probleem?”
Een opmerking die blijft hangen
Totdat Kim onlangs een opmerking kreeg van haar eigen moeder. “We zaten samen koffie te drinken en ze zei ineens: ‘Vind je niet dat de kinderen wel héél vaak uit logeren gaan?’” Kim was verbaasd. “Ze zei dat het niet goed is voor kinderen om zo vaak weg te zijn bij hun ouders. Zeker niet als wij ook al veel werken en in de avonden geregeld oppas hebben.” De woorden bleven hangen. “Mijn moeder zei: ‘Elke week een nacht weg is echt veel, hoor.’” En inderdaad: bijna elke vrijdag slapen de kinderen bij opa en oma. “Ze worden uit school gehaald, logeren daar en rond lunchtijd op zaterdag worden ze thuisgebracht. Dan hebben we het weekend nog helemaal samen.”
Twijfel
Kim weet heus wel dat het vaker is dan bij veel andere gezinnen. “Maar tot nu toe zag ik alleen maar voordelen,” zegt ze. “De kinderen zijn vrolijk, slapen goed en vragen er zelf om.” Toch begon ze na het gesprek te twijfelen. “Doe ik mijn kinderen tekort zonder dat ik het doorheb? Of kijk ik er nu te kritisch naar omdat iemand er iets van zei?” Ze merkte dat ze ineens anders naar de vrijdagen keek. “Waar ik eerst dacht: wat fijn, een avond voor ons, dacht ik nu: zijn we ze te vaak kwijt?” Die twijfel voelde ongemakkelijk. “Alsof ik moest verantwoorden waarom ik dit zo had ingericht.”
Hoe ervaren de kinderen het?
Kim besloot extra te letten op haar kinderen. “Ik heb ze niet letterlijk gevraagd of ze het te veel vinden, want ik wil ze geen woorden in de mond leggen.” Maar ze keek naar hun gedrag. “Ze rennen nog steeds blij naar binnen bij opa en oma, maar zijn ook blij als ze zaterdagmiddag weer thuis zijn.” Voor Kim voelt dat als een goed teken. “Ze lijken zich veilig te voelen op beide plekken.” Toch knaagt de vraag. “Is het oké zolang zij het leuk vinden? Of is het mijn taak als ouder om grenzen te stellen, ook als niemand klaagt?” Kim vraagt zich af of ze onbewust gemak verkiest boven wat ‘hoort’. “Dat idee vind ik lastig.”
De rol van opa en oma
Ook over opa en oma denkt Kim na. “Ze zeggen altijd dat ze het heerlijk vinden en dat het ze geen moeite kost.” Maar Kim vraagt zich soms af of dat echt zo is. “Ze zijn fit, maar ook ouder. Zeggen ze wel eerlijk als het te veel wordt?” Tegelijkertijd weet ze dat dit contact enorm waardevol is. “De band die onze kinderen met hen hebben, is zó bijzonder. Dat gun je ieder kind.” Kim wil die band niet onder druk zetten. “Ik ben bang dat als we het logeren minderen, het voelt alsof we iets afpakken. Terwijl niemand iets verkeerd doet.”
Vergelijken met anderen
Sinds de opmerking van haar moeder betrapt Kim zichzelf op vergelijken. “Ik kijk ineens naar andere gezinnen en denk: zij doen dit niet.” Maar meteen daarna corrigeert ze zichzelf. “Elk gezin is anders. Wat voor de één werkt, werkt niet per se voor de ander.” Toch blijft de stem van haar moeder in haar hoofd. “Wat als zij iets ziet wat ik over het hoofd zie?” Kim heeft haar twijfels met Hans besproken. “Hij ziet het probleem niet zo,” vertelt ze. “Hij zegt: ‘Als iedereen het leuk vindt en de kinderen zich goed ontwikkelen, waarom zouden we het veranderen?’” Dat klinkt logisch, maar neemt haar onzekerheid niet helemaal weg. “Ik wil niet achteraf denken dat we iets verkeerd hebben ingeschat.”
Is er een grens?
De vraag waar Kim steeds op terugkomt, is: wanneer wordt iets te veel? “Is dat een vast aantal nachten? Of zit het ‘m in hoe kinderen zich voelen?” Ze vraagt zich af of ze vooral moet vertrouwen op haar gevoel. “Tot nu toe voelde het goed. Pas toen iemand er iets van zei, begon ik te twijfelen.” Kim overweegt om het ritme iets aan te passen. “Misschien niet élke week, maar om de week.” Tegelijk voelt dat ook weer geforceerd. “Waarom iets veranderen dat goed lijkt te werken?”
