Ka wordt schoolziek

“Waar bleef je nou?” Drie mannen staan boos op me te wachten. Ik haal mijn fietssnotneus op en stap snel af. “Die twintig minuten van jou duren altijd veel langer dan die van mij,” bromt Robert. Ik rol met mijn ogen. Wat is het probleem? Ik ben er toch?  

Ik weet wel wat het probleem is: de mannen zijn zenuwachtig. Vooral Bob. Vandaag is er een open dag op een middelbare school waarvan wij denken dat het een goede kanshebber is om naar toe te gaan als hij afscheid neemt van de basisschool. “Maar dat is pas over anderhalf jaar, ik zit in groep 7,” werpt hij tegen. Ja ja. Klopt.

Als we het gebouw binnenlopen krijgen we een hand van een poloshirt met het logo van de school erop. Ze heet ons welkom en duwt Bob en Tom een informatiemap in hun handen. Ik krijg een plattegrond. In de hal ontstaat een file van paniekerige ouders die niet weten welke kant ze op moeten en ongeïnteresseerde pre-pubers die hun hakken in het zand zetten. Tom glipt de rij uit en scoort een limonade en een koekje. Bob gaapt. Geïrriteerd trekt Robert de plattegrond uit mijn handen terwijl ik allerlei bekenden voorbij zie schuifelen.

Zoals BB. Dat ik die nog herken. Snel reken ik het uit: achtentwintig jaar geleden. In de kroeg. Dronken. Hing om me heen en verklaarde me de liefde. Wilde de vader van mijn kinderen worden. Vader is hij geworden, naast hem lopen een jongen en een meisje. Ze staan voor een vitrinekast vol schedels. Geduldig legt hij uit aan wie de botten ooit toebehoorden. Ik herken zijn lijzige stem uit duizenden. In het wiskundelokaal zie ik Frank. Met aan z’n heup een gekrompen kloon. Uren zat hij naast me en gaf me bijles. Ik tekende hartjes in mijn wiskundeboek en verdraaide mijn nek als de hunk van de school voorbij slenterde, en intussen probeerde Frank me de stelling van Pythagoras bij te brengen. Yeah right.

Bob krijgt een opleving als hij het informaticalokaal binnenloopt. Nerdy leerlingen laten zien hoe ze een Lego-wagen kunnen programmeren. Als de broertjes het scherm met Minecraft in het vizier krijgen, zijn ze niet te houden. Ik haal een kop koffie en ga op de gang zitten mijmeren over mijn middelbare schooltijd. Toen ik uitblonk in goede ideeën aandragen in de feestcommissie en scherpe stukken schreef voor de schoolkrant. De tijd waarin de leraar Engels een onuitwisbare indruk op me maakte en ik de opluchting voelde toen ik wiskunde mocht laten vallen. Mijn geodriehoek verbrandde ik ritueel. De eerste vlinders, de eerste zoen in het fietsenhok, de eerste stiekeme sigaret op het grasveld voor de school. Onuitwisbaar.

“Mam! Wil je ook een wafel?” Vrolijk haalt Bob mij uit mijn overpeinzingen en geeft me warme koek. Hij zakt op de stoel naast me. “Het is een kapot leuke school. Ze kunnen goed wafels bakken, limonade kost niks en ze hebben Minecraft.” Ik opper nog wat andere scholen te bezoeken. Gedecideerd schudt hij zijn hoofd. Als we naar de uitgang lopen, hoor ik een leraar tegen een moeder zeggen: ‘Alle leerlingen werken met een Macbook Air, dat na drie jaar afbetaling eigendom van de kinderen wordt.”

Ik kijk naar Bob. Hij heeft geen idee hoe anders het was. Toen.


Reageer ook