Ka mept in het ziekenhuis

Ik sjok door de krochten van het ziekenhuis met in mijn kielzog mijn vader en moeder. Ik bevind me in de levensfase waarin alle rollen tussen dochter en ouders zijn omgekeerd. “Zei ze nou dat we ons moesten melden op A of B10?” Mijn vader weet het even niet meer. Snap ik. Hij ging alleen maar naar de huisarts omdat hij de laatste tijd zo moe was. Dat de dokter zei dat hij zijn koffertje kon pakken en linea recta naar het ziekenhuis moest, kwam onverwachts.  

“Het is mijn hart. Slaat veel te traag.” Vind ik zelf niks mis mee. Mijn pa is 78 en dan is de noodzaak van snel slaan toch een stuk minder lijkt me. Fout! De dokter die aan het bed staat ontkracht alles wat ik denk. Tekent een hart. Met kamers. En boezems. Verontschuldigt zich omdat ze niet zo goed kan tekenen, maar meneer snapt vast wel wat ze bedoelt. Mijn vader knikt. Het apparaat waaraan hij is verbonden geeft een langgerekt signaal af. Zijn hartslag is veertig. “Rookt u?” Mijn vader schudt zijn hoofd. Wel gedaan. Lang geleden. Aha. “Hoe lang?” vraagt ze geïnteresseerd. Een jaar of veertig. Bijna teleurgesteld krabbelt ze het getal op haar formulier. Rokers zijn bij haar aan de beurt, waarschuwt ze ons. Ik voel me niet aangesproken. Ik heb een jaar of veertig niet gerookt.

De dokter geeft ten afscheid een stevige hand. “De cardioloog komt straks ook. Kan wel even duren, hoor.” Daar gaat ze met de wapperende witte jas vol pennen in haar borstzak. Ze is nog maar net weg, als Theo binnen sloft. Hij gaat een vragenlijst met de patiënt doornemen. Klinkers aan het eind van een woord trekt hij uit als een elastiekje. “Ik ben Theoooo.” Hij werkt op mijn lachspieren. “Goede vetten, meneer, dat zit bijvoorbeeld in een avocadoooo.” Mijn ouders hebben het niet in de gaten. Die slaan alles op wat er wordt gezegd. Dat spoor ben ik al een tijd bijster. “Hoeveel weegt u?” Mijn vader weet het niet. Theo knijpt zijn linkeroog dicht, gokt een kilo of zeventig. Zonder reactie af te wachten vult hij het in. De vragen zijn gesteld en we blijven met z’n drieën achter in het ongezellige kamertje. “Gaan jullie maar, ik red me wel.” Echt? Ja. Echt. “Ik app wel als ik meer weet.”

“O, dat is je dochter. Dat zie ik meteen. Net zo sportief, net zo donker. Wat een lekkere meid.” Met een ongelukkig gezicht ligt mijn vader in een ander bed dan de avond daarvoor. Naast hem een grote vrouw. Twee kussens in haar rug. “Je vader is wel een stille Willie hoor. Of is ie soms doof?” Ik kreun. Aan de overkant knikt een man mij vriendelijk toe. “Dat is Pieter. Hij wordt gedotterd.” Ik voel me ongemakkelijk. Er wordt over de kamergenoten gepraat alsof ze stopverf in hun oren hebben. “Hij moet ook drie keer per nacht naar de wc. Daar word ik wakker van.” Ik haal mijn schouders op. Als je moet, dan moet je. “En hij laat ook harde scheten. Kan ik ook niet van slapen.” Ik rol met mijn ogen. Krijg last van plaatsvervangende schaamte. “Ho ho, meneer Vanderleeuw, ik hoor u ’s nachts anders ook behoorlijke winden laten.” Ze prikt me in mijn rug. “Die vader van jou, die kan er wat van.” Ze geeft me een vette knipoog. Mijn vader kijkt de andere kant op, mijn moeder stiefelt naar de koffieautomaat op de gang. Ik waag het erop.

“En u?” zeg ik. “Schaamluizen?”  Haar kaken bevriezen. Pieters ogen schaterlachen. Vader grijpt naar zijn hart. En ik bid naar de deur om Theo. “Kaaaaa!”

Karin van Leeuwen (45 jaar) is eigenaar van tekstbureau De Gooise Pen. Heeft meer dan twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee mannen Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven (momenteel is ze druk met een boek!) is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool voor spinninglessen en krachttrainingen. Alledrie haar mannen atletieken en Bob en Tom doen daarnaast aan freerunning.


Reageer ook