Ka huilt

Ik kon me niet herinneren dat ze met een rollator liep. Ze keek me aan. Haar ogen helder, de lach stralend. Ze wees achter me. Ach, daar zat hij. Ik liep op hem af. Hij pakte mijn handen en wreef ze warm. Het was onnodig maar het was lief. “Meisje, hoe is het met je?” Zijn ogen vulden zich met tranen, keken troebel. Ik schraapte mijn keel. “Goed.”  

Mijn allerlaatste krantenverhaal ging over hen. Ze waren zestig jaar getrouwd. Voor vijftig jaar huwelijk kwamen de burgemeester en verslaggevers niet meer overeind, maar zestig was de moeite waard. Ik zie me nog zitten op de bank, schrijfblok en pen op schoot. Ze stonden erop dat ik koffie meedronk en twee Jan Hagels naar binnen propte. Praten met zo’n mondvol viel niet mee, maar ik hield me staande. Liet ze vertellen. Vergeelde fotoalbums werden afgestoft. Ik zag de plaatjes van vroeger, twee prachtig mooie mensen. Op de brommer. Op het korfbalveld. Als vader en moeder.   Door een medische fout was lopen voor de buurman voltooid verleden tijd. “Ik heb stalpoten, ik kan ze niet meer buigen.” Hij kon de arts aanklagen, maar dan? “Daarmee heb ik mijn loopvermogen niet terug,” riep hij opgewekt vanuit zijn scootmobiel. Mijn buuf mantelzorgde zich suf. Pijn of niet, elke dag een frisse neus. Hij in zijn elektrische karretje, zij er met de fiets achteraan. Zijn auto liet hij ombouwen zodat hij nog ritjes kon maken. Levensgevaarlijk, vond zijn omgeving, maar hij zei dat het prima te doen was. Ze waren graag geziene buren. Tot het teveel werd en zij hem niet meer kon helpen om boven te komen, haar lijf te krakkemikkig.   Ze wilden niet wonen in de wijk die ze altijd verafschuwden, in een seniorenflat, “maar we hebben geen keuze, kind.” Op een veel te mooie dag in maart waren ze ineens vertrokken.   En daar stonden we nu ineens voor de winkel met z’n drieën te snotteren. Dachten terug aan al die mooie jaren. “Wat? Is Bob al tien? Ik weet nog zo goed dat ik het kereltje in mijn armen had toen ‘ie net was geboren.” Drieëndertig jaar woonden ze tegenover ons, hij was nu tweeënnegentig, zij vijf jaar jonger, een meisje nog, eigenlijk. O ja, ze hadden het fijn in hun nieuwe appartement, maar misten de buurt. Het contact.   “Sorry dat we geen gedag hebben gezegd. We konden het niet aan om afscheid te nemen, lieverd.” Ik hoor de snik in zijn stem en bijt op mijn lip.   De tranen veeg ik van mijn wang. Kijk ons staan, lach ik. Weer pakt hij mijn handen. “Maar dat we jou vandaag hier tegenkomen is fantastisch. Je bent een cadeautje.” Ik knijp in zijn handen, omhels haar. Ik kom snel koffie drinken in de wijk waar niemand dood gevonden wil worden, beloof ik.

Wat ze je op school niet leren, is dat leven voor een groot deel afscheid nemen is. Vandaar dat ik vaker even huil naarmate ik ouder word, en wijzer.


Reageer ook