Ka d’r mannen lopen hun eerste cross

Mijn zaterdagochtenden zien er sinds kort heel anders uit dan een paar maanden geleden. Toen voetbalde mijn oudste nog. Moesten we om 8.15 uur verzamelen in een gehucht in een straal van 25 kilometer van ons huis. Mijn jongste ging altijd mee. Niet omdat hij dat nou zo enorm leuk vond, integendeel, maar omdat De Man naar atletiek ging. En zo werd mijn kleinste tegen wil en dank op de achterbank gepland.

Ik zorgde er altijd voor dat ik ruim op tijd vertrok. Ik presteer het namelijk om verkeerd te rijden ondanks dat ik een TomTom heb. Niet zelden denk ik dat ik het beter weet. En dan negeer ik TomTom tot groot afgrijzen van mijn mannen. Ik scheld ook op alles en iedereen, inclusief tegen TomTom, als ik achter het stuur zit. Dan zeg ik niet ‘oeps’ en ‘chips’. Dan zit ik te vloeken als een bouwvakker.

Het verkeerd rijden en schelden als een bouwvakker behoort, tot groot verdriet van mijn mannen, niet tot de verleden tijd, het vernikkelen langs de voetballijn wel. Nu zwaai ik om half negen drie mannen gestoken in strakke hardloopbroeken uit, en rommel mij een baan door de ochtend. Op mijn gemak, zonder gezeur aan mijn hoofd. Om half één komen ze terug en hebben dan al vaak op de markt een lekker visje met De Man gegeten. Ideaal.

Vorige week was er een cross. Of ik mee ging om te kijken. Ik had werkelijk geen idee wat een cross was, of liever gezegd: wat ik me erbij voor moest stellen. Het was op de dag van de cross koud. IJskoud. De cross was bij ons in de buurt en we moesten van de atletiekclub op de fiets komen omdat parkeren een gedoe was in de omgeving van de cross. We bikkelden naar het mysterieuze terrein; een dagcamping. Daar was een parcours afgezet. Mijn kleinste was doorzichtig van de zenuwen, mijn oudste klopte hem bemoedigend op zijn schouder. De Man spelde de wedstrijdnummers bij zowel de oudste als de jongste op. Ik begreep het nog steeds niet en had het verschrikkelijk koud.

Mijn kleinste stond in het startvak. Een verbeten trek om zijn mond. Hij zocht mijn ogen. Ik zag angst. Ik zag kou. Ik zag: ‘was-dit-maar-voorbij’. Ik knipoogde. Een lange man in schutkleuren klom op een hoge keukentrap en haalde een geel pakketje uit zijn jaszak. Ik volgde hem nauwlettend. In het gele pakketje, wat zo’n vaatdoekje bleek te zijn, had hij zorgvuldig het startpistool gerold. Met een uiterst serieus hoofd, zo’n groep zenuwachtige hardloopkuikens wegschieten was immers een ernstige zaak, haalde hij de trekker over. Mijn jongste schrok zich kapot, maakte een sprongetje en ging er als een speer vandoor. Een kilometer moest hij over de dagcamping denderen. Ik stond bij de finish. In de verte kwam ‘ie aan, die kleine dappere dodo. Zijn wangen, rood van de kou, schuddend in zijn gezicht. Voor hem een huilend jochie met snot over tot aan zijn haargrens. Mijn kleinste finishte en nam zijn vaantje in ontvangst. Hij en ik waren door en door koud. De Man had mijn oudste onder zijn hoede genomen, hij moest drie kwartier later anderhalve kilometer lopen. Mijn kleinste en ik fietsten vast naar huis.

Op de terugweg moest ik denken aan het Boerenkooltoernooi, dat diezelfde dag op de voetbalclub werd gehouden. Dat toernooi was net zo ijzig en duurde een eeuwigheid. En toch verlangde ik even terug naar dat toernooi. Niet het afzien, maar wel dat dampende bord met een grote kledder boerenkool met worst. Het verlangen duurde maar even. Maar toch.

Karin van Leeuwen (44 jaar) schrijft vanuit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook