Ka d’r mannen belanden in de medische molen

Ze sprongen. Heel hard en heel hoog. Ik hield mijn hart vast. Zij maalden nergens om. Gilden het uit van pret. Ik draaide me met een gerust hart om. “Springen jullie maar lekker verder op de trampoline, ik ga even koffie drinken met Jolanda.”

Als ik het schuim van mijn cappuccino lepel, voel ik dat er iets mis is. Ik loop terug naar de trampoline. Mijn kleinste zit als een hoopje ellende op de rand van de trampoline, mijn oudste roept al gelijk dat hij er écht niets aan kon doen. Met horten en stoten komt het verhaal eruit: mijn oudste maakte een kapot goede sprong, maar de landing was iets minder kapot goed; hij belandde op het linkerpinkje van mijn kleinste. Koelen dat vingertje, koelen. Nee. Dat wil mijn kleinste niet. Ik laat het.

Lees ook: Ka herontdekt de bieb!

De pink wordt blauw en dik. Nou ja, dat zal wel gekneusd zijn oordeelden De Man en ik. Dat was in juli. Inmiddels is het oktober en dat vingertje is nog steeds een raar dik worstje. Mijn kleinste kan het nog steeds niet buigen. Misschien toch maar eens naar laten kijken? Kan de dokter gelijk even naar dat rare rode bultje kijken dat al maanden op het linkeroog van mijn oudste zit. Twee vliegen in een klap.

Daar zitten we, woensdagochtend 8.00 uur in de wachtkamer van de huisarts. De mannen zo mak als een lammetje. Dok roept ons zijn kamertje binnen. De mannen gaan aan zijn bureau zitten. Mijn oudste vertelt wat er aan scheelt. Dok loert met een lampje in zijn oog. “Sja, dat is gek. Dit lijkt op iets dat bij ouderen voorkomt”, mompelt hij terwijl hij achter zijn laptop schuift. Hij tikt wat in en op het scherm verschijnen alleen maar bloederige ogen met verschrikkelijke afwijkingen. Mijn oudste ziet het ook. Al het bloed trekt uit zijn gezicht. Hij kijkt me aan. Ik knipoog om de moed erin te houden. Mijn kleinste zit stokstijf op zijn stoel; hij is immers zo aan de beurt.

Dok knijpt in de pink van mijn kleinste, vraagt of het zeer doet. Al zou het zeer doen, ik weet zeker dat mijn kleinste geen kik zou geven. “Ik denk, dat dit vingertje gebroken is”, kijkt de Dok mij aan. Kijkt hij mij nou bestraffend aan? Zie ik dat goed? Zegt hij nu eigenlijk: “Wat een lousy moeder ben jij?” Ik besluit van het goede van de mens uit te gaan en zeg dat dat wel heel vervelend is.

Doks printer spuugt twee A-viertjes uit. “Nou, de kleinste kan een afspraak maken met de plastisch chirurg”, zucht hij diep. Mijn kleinste wordt net zo wit als zijn broer. “Gaat de dokter in mijn pink snijden?”, piept hij benauwd. Dok schudt zijn hoofd. “Eerst maar eens een foto maken”, antwoordt hij. “En jij”, wijst hij naar mijn oudste, “jij mag een afspraak maken met de oogarts.” En u, prikt hij zijn vinger in mijn bovenarm, moet de klachten van uw kinderen veel serieuzer nemen en ze niet zo laten aantobben met blessures en aandoeninkjes. Dat denkt Dok, ik weet het zeker. Maar hij zegt het niet hardop. En dat is maar goed ook.

Karin van Leeuwen (44 jaar) schrijft vanuit uit haar eigen bedrijf De Gooise Pen en is drukker dan ooit. Heeft twintig jaar voor kranten gewerkt en schrijft blogs voor Damespraatjes. Ze woont samen met Robert Brekelmans en hun twee boenders Bob en Tom in ’t Gooi. Naast schrijven is lezen een grote hobby. De andere passie is sporten; heel wat uurtjes brengt zij door in de sportschool om een spinning-, pump-, of bodybalanceles te volgen. Sinds kort is ze regelmatig op het voetbalveld te vinden om het team van haar oudste te coachen.


Reageer ook