Op een plek waar uiterlijk bijna net zo belangrijk is als de inhoud van het werk, kan kleding ongemerkt een gevoelig onderwerp worden. Dat merkt Carmen iedere dag opnieuw. “Ik werk bij een PR-bureau voor modemerken. Representatief zijn is gewoon onderdeel van de functie. Hip, verzorgd, maar niet té opvallend. Dat is de balans.” Voor Carmen is het een droom die uitkwam. Na haar studie aan het AMFI rolde ze de modewereld in. Ze werkt inmiddels zes jaar bij hetzelfde bureau, ligt goed in het team en gaat met plezier naar kantoor. “We borrelen maandelijks met elkaar en veel collega’s zie ik echt als vriendinnen. Het is hecht.” Maar er is ook een andere kant. “Er wordt veel gepraat. Geroddeld ook. Dat hoort een beetje bij de modewereld. Iedereen kijkt naar elkaar, naar wat je aanhebt, hoe je haar zit. Je weet dat je beoordeeld wordt.”
Een nieuwe collega
Sinds twee maanden is er een nieuwe kracht op kantoor: Madelon. Ze werkt op de backoffice, doet de administratie, neemt de telefoon aan, regelt de lunch en springt bij waar nodig. “Ze is echt heel aardig,” vertelt Carmen. “Rustig, behulpzaam, professioneel. Ze doet haar werk gewoon goed.” Alleen: mode is niet haar ding. “Ze kleedt zich zoals zoveel Nederlandse vrouwen zich kleden. Veilig, comfortabel, een beetje braaf. Voor haar functie maakt dat wat mij betreft helemaal niets uit. Ze zit niet bij klantmeetings, ze hoeft niet het visitekaartje te zijn.” Toch merkt Carmen dat andere collega’s daar anders naar kijken.
Achter haar rug om
In de lunchruimte, bij het koffieapparaat, in appgroepjes. “Dan hoor ik weer iemand zeggen dat Madelon er niet uitziet. Of dat het echt niet kan wat ze draagt in een mode-omgeving.” Wat het meest wordt besproken, is dat haar kleding niet goed past. “Ze draagt vaak strakke items. Broeken die trekken, blouses waarvan de knoopjes op spanning staan. Collega’s zeggen dan dat ze duidelijk een paar maten groter nodig heeft.” Carmen voelt zich daar ongemakkelijk bij. “Het is gemeen. En oneerlijk ook. Ze is nieuw, ze doet zo haar best. En ondertussen wordt ze helemaal gefileerd.”
Ik zie het ook
Tegelijkertijd moet Carmen eerlijk zijn: ze ziet het zelf ook. “Soms denk ik: dit kan toch niet lekker zitten? Dan zie ik haar de hele dag aan haar rok trekken of haar jasje dicht proberen te houden.” Ze vraagt zich af of Madelon doorheeft dat mensen praten. “Misschien wel. Misschien voelt ze het. Dat lijkt me vreselijk.” Wat Carmen vooral wil, is dat haar collega zich onderdeel voelt van het team. “Niet dat ze het idee heeft dat ze anders is of niet goed genoeg.”
Moet ik iets zeggen?
En dus zit Carmen met een dilemma. “Laat ik het gaan, dan blijft het geroddel waarschijnlijk doorgaan. Zeg ik er iets van, dan kan ik haar enorm kwetsen.” Ze piekert over hoe ze het zou kunnen brengen. “Niet zo van: je kleding zit te strak. Dat is verschrikkelijk. Maar misschien meer: hé, zullen we eens samen gaan shoppen? Of: als je tips wil over leuke winkels, ik help je graag.” Maar zelfs dat voelt beladen. “Dan impliceer ik alsnog dat het nu niet goed is.”
Wie ben ik?
Carmen vraagt zich ook af wie zij is om er iets van te vinden. “Misschien voelt Madelon zich prima. Misschien houdt ze gewoon van strak. Dan kom ik even vertellen hoe het beter moet? Dat is toch ook arrogant.” Aan de andere kant ziet ze wat het met de sfeer doet. “Het maakt mensen kattig. Het geeft brandstof voor roddels. En daar krijgt niemand een fijne werkplek van.” Ze merkt dat ze Madelon steeds aardiger gaat vinden. “Juist omdat ze zo haar best doet. Ze verdient het niet om onderwerp van gesprek te zijn zodra ze de ruimte uitloopt.”
Niet nog meer buitensluiten
Wat Carmen absoluut niet wil, is bijdragen aan buitensluiting. “Ik weet hoe het voelt als mensen over je praten. Dat is echt naar. Zeker in een wereld waar uiterlijk zo’n groot ding is.” Soms fantaseert ze over een open gesprek met het hele team. Minder oordelen, meer elkaar helpen. “Maar ja, dat is misschien ook naïef.”
Tussen goede bedoelingen en pijn
Het dilemma blijft knagen. “Als ik niets doe, laat ik haar eigenlijk zwemmen. Als ik wel iets zeg, loop ik het risico dat ik haar zelf pijn doe.” Carmen betrapt zich erop dat ze Madelon extra complimentjes geeft. Over haar werk, haar inzet, haar gezelligheid. “Misschien om te compenseren voor alles wat er verder gezegd wordt.” Toch weet ze: dat lost het probleem niet op.
Wat is wijsheid?
“Ik wil gewoon dat ze zich fijn voelt bij ons,” zegt Carmen. “Dat ze niet thuiskomt met het idee dat ze niet voldoet aan een ongeschreven moderegel.” Maar hoe bereik je dat, zonder iemands zelfvertrouwen te raken? Carmen zucht. “Misschien moet ik accepteren dat ik het niet perfect kan doen. Wat ik ook kies, het kan verkeerd vallen.” En ondertussen hoort ze bij het koffieapparaat opnieuw haar naam vallen. Niet die van haar dit keer, maar die van Madelon. “Dan denk ik: iemand moet toch een keer stoppen met dit gepraat.” Alleen weet Carmen nog steeds niet zeker of zij die persoon durft te zijn. “Ik wil helpen. Echt. Maar wat als mijn hulp juist het laatste zetje is waardoor ze zich nóg meer bekeken voelt?”
Afbeelding: Freepik
