Mijn knappe vakantieherinnering van Francine Burema

“Hij is leuk!” fluister ik, kijkend naar onze buurjongen achter onze half opgezette tent. “Wie? Hij?! Nee, gatver!” mijn vriendin vindt hem duidelijk niks. Mooi, dan kan ik erachteraan. Ook al begin ik nu wel te twijfelen of hij echt leuk is. Ik heb het wel vaker mis. Ik heb een bril die ik niet draag, dus van dichtbij blijken jongens vaak nogal tegen te vallen. Of ik val gewoon voor de eerste Nederlandse jongen die ik tegenkom in het buitenland. In dit geval dus hij.

En toch kan ik hem niet uit mijn hoofd zetten. Ik heb mijn stoel opgeklapt op de hoek van onze plek, bijna tegen de auto aan. Gelukkig was hier schaduw en is de tafel hier dus ook neergezet en zit mijn vriendin en mijn ouders ook in de buurt. Zo valt het niet op dat ik hier ben gaan zitten om hem goed te kunnen bekijken.

Hij lijkt op een vriend van mijn broer van vroeger. Heel vroeger. Een vriend van de basisschool, terwijl mijn broer nu al 2 jaar studeert. Maar ik weet nog precies hoe die vriend eruit zag en hij lijkt er precies op. Alleen is hij jonger want hij zou nu dan al 22 moeten zijn en dat is hij niet. Ik gok eerder 18 of 19 jaar. Zonder shirt met een witte korte broek en een bruine huid. Kort haar heeft hij, een leuk kapsel. En een hele leuke glimlach en lieve ogen. Hoe kan ze hem nou niet knap vinden?

Of we zin hebben om een spelletje te doen. Ik twijfel. Ik vind hem heel leuk, maar ik weet dat ik al mijn kansen verpest zodra ik meega. Mijn vriendin is spontaan en ik normaal ook wel. Maar zodra ik een jongen leuk vind klap ik totaal dicht. Ik weet dat ik apart ben en dat dat ook leuk kan zijn, maar ik durf het dan niet te laten zien. Mijn vriendin is anders. Zij is onzeker, maar zodra er een jongen in de buurt is wordt ze heel spontaan en vrolijk. Het omgekeerde van mij dus. En ook al vond ze hem niet leuk, ze trekt alle aandacht. Nu weer.

Ze vindt hem leuk. Goh. Hij is ook leuk. Weg kansen. Dat is het enige nadeel van met een leuke vriendin op stap gaan. Of het nou een avondje naar de stad is of een vakantie naar Italië: ze trekt alle aandacht naar zich toe. Ook al roepen Italianen iedere vrouw na en zijn twee meisjes van 16 waarvan een lang blond golvend haar heeft en de ander licht blond kort haar natuurlijk erg opvallend, ze trekt letterlijk alle aandacht. Je hoeft niet lelijk te zijn om je naast zo iemand onzichtbaar te voelen.

“Nee, ga maar zonder mij. Ik heb buikpijn, ik blijf liever even liggen.” Als zij het zo goed kunnen vinden samen, hoef ik er even niet bij te zijn. Ik kan er ook niets aan doen dat ik zo jaloers ben: zo zit ik gewoon in elkaar. O fijn, nu blijven ze ook hier. Dan ga ik maar naar de tent. Ik zeg wel dat ik een pilletje neem tegen de buikpijn. Ik heb niet eens pilletjes in de tent. Ik drink even wat water. Het is boven de 30 graden en ik heb nog bijna niets gedronken vandaag. Dan komt ze aanlopen. “Wat doe jij nou hier? Jullie zouden gaan zwemmen!” Of er iets met me is. Nee. Heeft het met haar te maken. Nee, natuurlijk niet! Natuurlijk wel. Maar dat kan ik niet zeggen. Ik ga weer mee terug.

Weer dat onuitstaanbare geklef. Dat zal het voor hen niet zijn, hij heeft een vriendin. Maar iedere vreemde die langs zou lopen zou denken dat het een stel is. Ik ga naar de wc. Snelle voetstappen achter me aan. Ik kijk opzij. Hij loopt naast me. Waarom? Je gaat morgen weg en ik laat je alleen met het meisje van je overduidelijk ziet zitten. Blijf daar dan toch.

We gaan uit eten. Als we terugkomen zal hij weg zijn. Eerst maar afscheid nemen dan. Hij zit in een groep mensen. Doei. Nog een laatste glimlach zie ik als ik me omdraai. We gaan. Allebei zitten we stil in het restaurant. Onze laatste maaltijd in Italië. Hij gaat vanavond al, wij morgenochtend. Hij gaat om 8 uur. Het is nu half 8. We hebben ons eten op en het restaurant zit vlak bij de camping. Als we nu zouden gaan, kunnen we hem misschien nog zien. Of we nog een toetje willen. Nee, ik zit echt vol. Ik kreeg mijn pizza niet eens op. Ik staar naar het meer en de bergen. Onze laatste avond. Ik ben er klaar mee. Toch een toetje. 8 uur. Te laat. Zodra we terug zijn kijk ik naast ons. De plek is leeg. Op het gras is de plek nog te zien waar hun vouwwagen stond.

Ik loop op straat de hond uit te laten. Ik heb een wit jurkje aan met een bruin riempje erom. Ik kom net terug van de wandeling als ik hem aan zie komen lopen. Dat kan niet. Het is hem echt. Wat doe jij nou hier? Een bobbel in de weg. Ik stoot met mijn hoofd tegen het raam en ik word wakker. Jammer.

We gaan uit eten vanavond. Wat trek ik aan? Mooie kleren. Daar heb ik zin in. Iets wat ik in 3 weken in Italië en Spanje niet heb kunnen dragen omdat het zou kreuken in mijn koffer of omdat ik bang was om het vies te maken op vakantie. Mijn witte jurkje. Een zwart riempje. Nee, hij zakt af. Een brede, donkere riem. Nee, het is te warm voor een brede, elastieken, dikke riem. Een dun, bruin riempje. Perfect. Terug van de wandeling. De zon schijnt hetzelfde als in mijn droom. Ik draag hetzelfde. In de verte komt een jongen aan lopen. Ik heb mijn bril niet op, dus ik kan zijn gezicht nog niet zien. Ik draai me om en kijk of ik kan oversteken. Er komt niets aan. Ik kijk terug. Nu is hij dichtbij. Het is hem niet. Ik voel de teleurstelling.

Ik weet dat het niets zou worden, zelfs al zou hij er wel geweest zijn. Dan zou hij zijn gekomen voor mijn vriendin. En hij heeft al een vriendin. Ik hoef hem niet. Hij woont hartstikke ver weg. Ik hoef hem niet. Ik wil hem wel. Ik ben terug van vakantie en ik vind hem nog steeds leuk. Genoeg Nederlandse jongens hier. Daar ging het dus niet om. Hij is leuk. Hij is weg.

Het ligt aan het weer. In de zomer wil ik niet alleen zijn. De winter kan ik prima alleen aan, dan lig ik het liefst verstopt in een warme trui met een joggingsbroek aan onder een dekentje op de bank. Geen behoefte aan een vriend voor wie ik me alsnog in mooie kleren zou gaan kleden. In de zomer wil ik leuke jurkjes dragen, me mooi maken. En iemand hebben voor wie ik dat doe.

4 augustus. Over precies twee weken is hij jarig. Twee dagen na mij. Wat zou hij gaan doen? Ik geef een feest. Niet heel groot. Dat mag niet van mijn ouders. Een klein feestje. Zou hij ook zoiets doen? Ik weet het niet. Ik hoef het niet te weten. Vakantie is vakantie. Je houdt er leuke foto’s aan over en leuke herinneringen. Meer niet. Het zijn herinneringen. Hij is een herinnering.

Nu zit ik weer thuis. Achter mijn laptop. Ik ben eergisteravond aangekomen. De laatste keer dat ik hem zag is nu 3 dagen geleden. Het voelt als 3 weken. Nee, maanden. Ik schrijf op hoe ik me hem herinner. Geen feiten. Gedachten. Feiten kan ik navragen aan mijn vriendin. Zij was erbij, zij weet de feiten. Ik wil mijn gedachten opschrijven. Zodat ik precies weet hoe ik over hem dacht. Wat voor gevoel ik kreeg als mijn vriendin zijn aandacht trok. Zijn blik, zijn heldere ogen die me aanstaarden als zij onder water dook om iets te pakken, waardoor ze zijn aandacht weer trok als ze bovenkwam met iets in haar hand. Die dingen wil ik onthouden. Als ik ze niet opschrijf ga ik ze romantiseren. Of misschien doe ik dat nu al. Of ik probeer het juist niet te romantiseren en verander het daardoor nog steeds. Ik weet het niet. Maar dit is hoe ik het me op dit moment herinner. Of in ieder geval wat ik ervan wil delen. Volgende week heb ik het in gedachten vast alweer een stuk geromantiseerd. Wie weet wat het over een maand is. Maar dan kan ik in ieder geval teruglezen en denken: o ja. Dát was er gebeurd, zo voelde ik me. Zo was hij. Zo grappig, zo leuk, zo gek. Zo eerlijk. Zo zichzelf. Zo erg de jongen waar ik de rest van mijn leven mee zou willen zijn. Of in ieder geval elke vakantie.

Meer Gratis spullen kijk op Gratisvoorvrouwen.nl

// <![CDATA[
var uri = 'http://impnl.tradedoubler.com/imp?type(img)g(21176146)a(1506742)' + new String (Math.random()).substring (2, 11);
document.write('‘);
// ]]>


Reageer ook