Frank (35) gaat viral met zijn heftige en persoonlijke ervaring met het Coronavirus: “Mijn lijf was uitgeput”

Dagelijks hoor ik berichten over het coronavirus, de IC-capaciteit en het aantal doden. Het is allemaal vreselijk en toch komt het bij mij nog niet echt binnen. Dit is vermoedelijk omdat ik tot nu toe nog niemand in mijn persoonlijke kring ziek heb zien worden van het virus. Dit is natuurlijk een zegen, maar het zorgt er wel voor dat alles heel ver weg lijkt. En dat terwijl dat het niet is! Het is daarom voor mij (en voor de rest van Nederland die -nu nog- relatief ver van het virus is verwijderd) goed om niet alleen naar de cijfers te kijken, maar ook échte verhalen te lezen. 

Momenteel gaat de 35-jarige Frank Schil viral met zijn ‘corona verhaal’. Hij werd begin maart ziek en is na een ziekenhuisopname nog steeds bezig met herstellen. Zijn Facebookbericht kwam bij mij binnen en ik weet bijna zeker dat het ook bij jou zal binnenkomen. We wilden het dan ook graag hier met jullie delen.

Uitzieken

“Na een gezellig carnaval in het mooie Oeteldonk (’s-Hertogenbosch) is het op 6 maart tijd voor een mini-carnaval; ons jaarlijkse familieweekend! Met dertig man hijsen we ons in een familieboerderij en maken we een hoop lol. Er waren nog maar een handjevol mensen besmet met corona in Nederland. We maakten ons niet druk en waren ook nog helemaal niet bezig met corona. We grapten en grolden zelfs wat over het virus. Het persmoment waarin Mark Rutte en Jaap van Dissel (RIVM) elkaar de hand lachend schudden nadat zij aankondigen dat handen schudden niet meer is toegestaan moest toen nog plaatsvinden.”

“Gedurende ons familieweekend voelde ik mij niet helemaal fit. Er waren flink wat biertjes ingegaan, dus ik gaf de schuld aan het bier. Het gevoel ging echter niet meer weg. De maandag na het familieweekend maakte een ziek gevoel zich meester over mij. Hoofdpijn, benauwdheid, diarree, hoesten en een lamlendig gevoel kwamen in de dagen daarna opzetten en werden iedere dag heftiger. Ik had geen smaak en reuk meer en op dinsdag kreeg ik er ook nog koorts bij. Deze koorts heeft uiteindelijk ruim twee en een halve week aangehouden. De stress binnen de familie begon toe te nemen, want ruim twaalf van de dertig familieleden waren na het weekend ziek geworden. Ik belde de huisarts en vroeg om advies. Het aantal patiënten nam in korte tijd heel hard toe. Het RIVM deed geen contactonderzoek meer vanwege de plotselinge grootschaligheid en daarom was alleen het advies; blijf thuis en ziek uit!”

Klachten houden aan

“De klachten bleven aanhouden; sommige werden iets minder en sommige namen alleen maar toe. De lamlendigheid maakte dat ik tot niets meer in staat was. De bank en mijn bed waren mijn beste vrienden. We waren onafscheidelijk. Het was fijn om twee van deze trouwe partners te hebben, maar na twee weken zitten en liggen heb je geen flauw idee meer welke houding je aan moet nemen om het zitten en liggen op een aangename wijze voort te blijven zetten. Ik had pijn in m’n hele lijf. Zeker ook van het vele zitten en liggen, maar later bleek mij dat ook rugpijn een symptoom van Covid-19 is. Terwijl in de supermarkten de toiletrollen en paracetamols werden geplunderd, begon ik mij steeds meer zorgen te maken. Ik was zó onwijs ziek en merkte dat mijn lijf iedere dag een marathon aan het rennen was. Mijn lijf putte zich langzaam uit en ik kreeg steeds minder lucht.”

“Op maandag 16 maart nam ik nogmaals contact op met de huisarts. Ik vertrouwde het voor geen meter en vroeg om hulp. Huisarts: “Op basis van uw klachten is het zeer aannemelijk dat u corona heeft. Het klinkt vervelend, maar uw klachten zijn op dit moment niet voldoende voor een coronatest en/of een ziekenhuisopname. Als het nóg erger wordt belt u ons dan gerust terug.” Ik baalde, want voor mij waren de klachten wel fors, maar ik begreep tegelijkertijd ook dat de huisartsen en ziekenhuizen in onze omgeving erg druk waren met alle covid patiënten. De wereld was in tegenstelling tot tien dagen geleden inmiddels behoorlijk veranderd en Covid-19 was ineens booming-business. Wij wonen in Heesch; één van de Brabantse dorpen gelegen in het corona-epicentrum van Nederland. Met frisse tegenzin pakte ik het advies van de huisarts op en vervolgde mijn ziek-zijn.”

Geen doorverwijzing

“Woensdag 18 maart. Ik sliep steeds slechter. Ik kreeg bijna geen lucht meer. Mijn neus en keel zaten vast. Droge lucht; niets om weg te kunnen snuiten of hoesten. Ik besloot om de huisarts direct ’s morgens te bellen. De huisarts nam de tijd. Ze gaf aan dat het hoogstwaarschijnlijk corona was in combinatie met een voorhoofdsholteontsteking. Voor de voorhoofdsholteontsteking kreeg ik antibiotica. Voor mijn benauwdheid kreeg ik een aanvullende inhalator bovenop de inhalator die ik al had. De huisarts probeerde mij op te beuren en gaf mee dat de klachten tegen het weekend waarschijnlijk minder zouden worden. Ze vond het heel vervelend om te zeggen, maar nog steeds waren mijn klachten niet voldoende voor verdere stappen. Een coronatest zou mij verder niet vooruit helpen. “Een kritische blik op het doorstuurbeleid was gezien de afnemende capaciteit in het ziekenhuis hard nodig” zei ze. Ik begreep haar boodschap goed.”

“De dagen daarop namen de klachten nog steeds toe. De koorts was nog steeds de hele dag aanwezig. De temperatuur tikte constant bijna de veertig graden aan. Mijn longen deden heel erg hard hun best om lucht naar binnen te krijgen. Ik had het gevoel alsof er in beide longen ballonnen zaten. Ik haalde adem, maar er was geen ruimte in mijn longen om die adem kwijt te kunnen. Een heel bijzonder gevoel. Mijn longen compenseerde het gebrek aan lucht door sneller te gaan ademen. Ik was er steeds meer klaar mee. Ik was toch een jonge gezonde vent? Ik had een goede conditie en had geen bijzondere onderliggende klachten. “Waarom herstelt het niet gewoon?” was regelmatig mijn gedachte.”

Uitgeput

“Het was vrijdag 20 maart. Mijn lijf was uitgeput. Ik had twee nachten wakker gelegen en was doodmoe. Ik slaap altijd op mijn zij, maar dat was niet mogelijk. Ik kreeg ontzettende hoestbuien als ik ook maar een paar graden mijn lijf draaide. De enige optie was op mijn rug blijven liggen of zitten. Dat lukt voor een half uur, maar daarna wil je lijf draaien. De dag kabbelde voort. Mijn vriendin moest werken tot 23.00 uur. Later op de avond besloot ik even achter de computer (zolder) te gaan zitten. Ik was eigenlijk te lamlendig om dat te doen, maar ik kon niet meer zitten of liggen. Terwijl ik de trap opliep, namen mijn ademhaling en hartslag toe. Bij elke trede werd het zwaarder en zwaarder. Ik kwam aan op de eerste verdieping en moest eerst op de rand van het bed gaan zitten om de volgende trap op te kunnen lopen. Nadat mijn ademhaling iets zakte begon ik aan de tweede trap naar zolder. Halverwege voelde ik de kracht uit mijn spaghetti-benen trekken. Mijn voeten en benen begonnen te tintelen en te prikken en ik kon niet meer doorlopen. Ik liet mij zittend de trap afglijden. Door mijn zware ademhaling kreeg ik een enorme hoestbui die zeker 20 minuten duurde. Ik hoestte de longen uit mijn lijf en voelde dat elke hoest in mijn longen brandde. Ik kreeg een bloedsmaak in mijn mond en besloot ‘Dit kan niet langer’. Mijn vriendin kon ieder moment thuiskomen van haar werk en ik besloot de huisartsenpost te bellen.”

“Het was 23.30 uur. Met een hele hoge ademfrequentie, snakkend naar adem probeerde ik de dame aan de lijn mijn verhaal duidelijk te maken. De telefoniste had weinig woorden van mij nodig. “Kom maar langs. Ik zet een afspraak om 00.00 uur voor je in het systeem”. Mijn vriendin stapte binnen en ik zei dat we direct in de auto moesten stappen. Mijn vriendin liet de hond snel plassen terwijl ik de gevoelsmatig mijlenlange tocht naar de auto (25 meter) alvast startte. Mijn vriendin stapte de auto in en trachtte de auto te starten; accu leeg! Ik was al twee weken niet met de auto naar het werk geweest en daardoor was de accu leeggelopen. Mijn schoonvader reed –met startkabels- met gezwinde spoed naar ons toe. Met een half uur vertraging kwam ik aan op de huisartsenpost. De beelden op het journaal van het Bernhoven ziekenhuis in Uden waren in het echt nog indrukwekkender. Aan alles merkte je dat er in dit ziekenhuis iets afwijkends en groots gebeurde. Andere routes, een grote witte tent en een beveiliger voor de deur en bij binnenkomst met mondkapjes en schorten ingepakt personeel. Met een ietwat dwingende stem werd mijn vriendin verzocht het pand direct te verlaten en in de auto te blijven wachten. De vriendelijke doch dwingende dame sommeerde mij mijn handen schoon te maken en direct door te lopen naar een andere gang alwaar ik plaats mocht nemen op een stoel. Twee ingepakte huisartsen kwamen binnen korte tijd naar mij toe en namen mij mee naar een onderzoekskamer.”

Code zwart

“Saturatie, ademfrequentie, temperatuur…. Alles werd gecheckt. De door de wol geverfde huisarts zei tegen mij: “Het is goed dat je bent gekomen jongen!” Fijn om erkenning te krijgen maar tegelijkertijd ook heel eng, want “Wat staat mij vanaf nu te wachten?” Ik word door de andere huisarts telefonisch aangekondigd bij de eerste hulp. De andere huisarts gaat een rolstoel halen. Ik ben té uitgeput om nog te lopen. Op de eerste hulp staan een arts en twee verpleegkundigen mij al op te wachten. De beveiliger van de huisartsenpost haalt mijn vriendin op bij onze auto en brengt haar (inmiddels voorzien van een mondkapje) naar de onderzoekskamer. De eerste hulparts opent een spervuur aan vragen terwijl de verpleegkundigen mij ‘aansluiten’ op de monitor en een infuus aanleggen. Een gezond mens heeft een ademfrequentie van ongeveer 16 keer per minuut. Een heel sportief persoon doet dat 10 keer per minuut. Ik zat op de 29 ademhalingen per minuut met een saturatie van 91%. Godzijdank kreeg ik direct ter ondersteuning zuurstof via een neusbril. In de komende uren worden er röntgenfoto’s en een CT-scan gemaakt en krijg ik een coronatest. Via een dikke naald word er bloed uit de slagader van mijn pols geprikt om de bloedgaswaarden te kunnen bepalen.”

“Om 05.00 uur ’s morgens, na wederom een nacht niet slapen (de derde op rij), krijg ik het verlossende woord; “U wordt opgenomen in het ziekenhuis op de longafdeling” Ik neem afscheid van mijn vriendin en we spreken af dat we in de loop van de dag weer even bellen. Mijn vriendin geeft aan dat zij haar telefoon uit zet en haar wekker om 12.00 uur pas laat rinkelen om zelf ook even bij te kunnen trekken. Vanaf de SEH word ik door een verpleegkundige naar mijn eigen kamer op de longafdeling, met zicht op de grote witte tent die buiten voor de ingang van het ziekenhuis staat, gereden. De vriendelijke verpleegkundige neemt de intake met mij door. Het is 06.30 uur als ik probeer om mijn ogen even dicht te doen. Om 08.00 uur komt er echter al iemand binnen die mij komt vragen wat ik voor ontbijt wil. Na het nuttigen van het ontbijt krijg ik om 09.00 uur bezoek van de longarts. Ze doet wat controles en komt met slecht nieuws: “Het is op dit moment code zwart in het Bernhoven ziekenhuis. We kunnen de druk niet meer aan en we moeten de lasten verdelen over andere ziekenhuizen. U wordt zo dus opgehaald en naar een ander ziekenhuis vervoerd” Ik vraag de arts nog of ik dan aan Limburg of wellicht Utrecht moet denken, maar al snel wordt mij duidelijk dat de ziekenhuizen het in die regio’s ook al druk hebben. “Er is op dit moment een ambulance uit Drachten onderweg om u op te halen. U wordt over een uur naar het ziekenhuis in Sneek gebracht” Het janken breekt mij uit en ik probeer dat met alle macht tegen te houden. Je gaat namelijk niet heel veel beter ademhalen van huilen. Tegelijkertijd bedenk ik mij dat ik een serieus probleem heb; ik ben gisteravond in allerijl vertrokken en heb geen spullen meegenomen om meerdere dagen in het ziekenhuis te verblijven. Ik probeer mijn vriendin te bellen, maar al snel wordt mij duidelijk dat zij, zoals we hadden afgesproken, inderdaad haar telefoon heeft uitgezet. Ook het bellen van mijn werktelefoon die op mijn eigen nachtkastje thuis ligt biedt geen soelaas. Ik besluit om wederom mijn redder in nood te bellen: mijn schoonvader. Wederom rijdt hij met gezwinde spoed naar Heesch om mijn vriendin uit bed te (deur)bellen. Deze tactiek blijkt moeizaam, maar uiteindelijk wel te werken. Vlak voor tienen staat mijn vriendin aan de receptie van het Bernhoven ziekenhuis. Ze wordt van boven tot onder ingepakt alvorens ze naar mij wordt begeleid. Ze komt mijn kamer binnenlopen en ik kijk haar aan. We beginnen beiden tegelijkertijd te huilen en weten zonder woorden dat we elkaar voorlopig even niet gaan zien. Bezoek is niet toegestaan in Sneek en daarnaast is het ook nog eens 2,5 uur rijden. Nadat de tranen zijn gezakt start ik een videogesprek met mijn moeder en zusje. Ik feliciteer mijn zusje met haar verjaardag en vertel ze dat het ambulancepersoneel mij ieder moment op kan halen om mij naar Sneek te brengen. Ik heb het nog niet gezegd of ik zie de mannen met de brancard door de gang lopen. Wederom schieten we met z’n allen in tranen. Ik neem afscheid via de telefoon en zeg dat ik ze later nog wel even bel. De ambulancebroeders komen mijn kamer binnenlopen en stellen zich voor. De mannen zijn nog steviger ingepakt dan het ziekenhuispersoneel. De broeders hebben een witte overall aan met een capuchon. Over de ogen zit een soort duikbril en daaronder een mondmasker. Waar ik bij het ziekenhuispersoneel nog iets van een mens kon zien, had ik bij het ambulancepersoneel werkelijk helemaal geen flauw idee met wie ik te maken had. Ik word direct op de brancard geholpen en stevig ingepakt. Een afscheid met een dikke knuffel of kus zit er niet in. Ik word weggereden en kijk nog een keer achterom: “Doei lieverd! Tot snel!” De blik van mijn vriendin in tranen zal ik niet snel vergeten.”

Ingepakte verpleegkundigen

“Binnen de kortste keren word ik de ambulance ingereden en zijn we onderweg naar Friesland. ‘Mijn’ ambulanceverpleegkundige blijkt een jonge vent van 28 te zijn. Ik kan het goed met hem vinden en we praten onder andere over mijn ambitie om ooit als ambulancechauffeur te gaan werken. Buiten het feit dat ik een houten reet krijg van de brancard heb ik eigenlijk, voor zover je daarover kunt spreken, een relaxte rit. Na bijna twee en een half uur komen we aan bij het Antonius ziekenhuis in Sneek. De ambulance rijdt achteruit de ambulancegarage in. We moeten even wachten totdat ik gehaald word. Ik zie dat de ambulanceverpleegkundige werkelijk niets meer kan zien. Het condens staat van boven tot onder aan de binnenkant van zijn ‘duik’ bril. Als afsluiting van de lange rit maken we een selfie in de ambulance.”

“Na tien minuten komen er twee ingepakte verpleegkundigen met een ziekenhuisbed aanlopen. Ik stap van de brancard over naar het ziekenhuisbed. Een hotemetoot van het ziekenhuis, ik vermoed de ziekenhuismanager, vraagt mij om het dekbed over mijn neus te trekken en sommeert het personeel om mij met een hele stevige pas door de hal van het ziekenhuis te rijden. Ze wil niet dat er paniek uitbreekt aangezien corona in Friesland nog geen ding is. Ik voel mij zo langzamerhand radioactief materiaal. Ondanks dat al het verplegend personeel en artsen allemaal superlief zijn (!) en er werkelijk alles aan doen om het je zo aangenaam mogelijk te maken voelt het niet leuk en bij vlagen heel erg naar om als radioactief beschouwd te worden.”

Steeds angstiger

“Ik word naar mijn kamer gereden. De ramen zijn dichtgeplakt met plakplastic en op de muur zit een fotobehangetje van een paar schapen in een Hollandse wei. Ik kijk recht in de kont van de schapen en hoop heel ernstig dat dit niet mijn kamer zal worden. Een gemiddelde gedetineerde heeft een betere kamer. Tijdens de intake blijkt mij al snel dat het Antonius ziekenhuis in allerijl een leegstaande vleugel weer in gebruik hebben genomen. Deze kamer is voor de allereerste opvang. Ik ben samen met een aantal andere patiënten één van de eerste die gebruik maken van deze vleugel. De vleugel is in tweeën verdeeld: corona-verdacht en corona-positief. Na een paar uur komt het hoge woord eruit: “U bent positief getest op Covid-19. U wordt zo gelijk overgebracht naar de afdeling waar alleen maar patiënten liggen die positief getest zijn op corona””

“Ik word overgebracht naar ‘mijn’ tweepersoonskamer. Gelukkig is dit een hele ruime kamer met een groot open raam met zicht op een binnenplaats. Ik ben ‘blij’ met deze kamer en hoop stiekem dat er niemand bijkomt. Het gerochel, hoesten en snuiten maken je niet een hele charmante kamerpartner. Met tussenpozen om weer op adem te komen maak ik mijn tas leeg en richt mijn kast in. Ik ben doodmoe; ik ga liggen op bed en krijg eerst medicatie. Antibiotica en een medicijn als proef; Chloroquine, een anti malariamiddel die volgens Chinese artsen bij meerdere patiënten succesvol is gebleken. Uiteindelijk probeer ik te gaan slapen. Ik heb immers al drie volledige nachten niet geslapen. Het blijft bij proberen; ik merk dat ik steeds angstiger word voor dat wat komen gaat. “Zal het nu snel beter worden?”, “Kom ik op de IC terecht?” Met name de laatste vraag spookt constant door mijn hoofd. Ik weet wat er staat te gebeuren op het moment dat je naar de IC moet. Er komt dan een moment dat je in slaap gebracht wordt omdat je geïntubeerd en op je buik gelegd moet worden. Als dat het scenario is wat mij treft dan betekent dat, dat ik in een wildvreemde stad, heel ver weg van familie en vrienden afscheid moet nemen via een telefoon of tablet terwijl ik daar lichamelijk helemaal niet meer toe in staat zou zijn. Na het digitaal afscheid nemen wordt je onder narcose gebracht zonder dat je weet of je ooit nog wakker zal worden. Alleen het idee doet mijn lijf al sidderen. Bij elk coronaverhaal wat ik nu (in de media) hoor moet ik elke keer aan dit horrorscenario denken. Dit is niet zoals het moet zijn. Een afscheid an sich is al naar, maar een digitaal afscheid is helemaal kaal en koud; geen knuffel, elkaar niet in de ogen kijken, elkaar niet ruiken. En bedenk je ook eens: bij veel van deze afscheidsmomenten is er een verpleegkundige of arts aanwezig. Wat een hoop verdriet zullen zij ook mee naar huis nemen!”

Videobellen

“Ik slaap nog twee nachten niet. Mijn lijf is op. ’s Morgens krijg ik een ontbijtje. Ik heb bijna geen kracht meer om de lepel met yoghurt naar mijn mond te brengen. Ik bedenk mij: “Ik moet nu slapen, anders gaat het écht verkeerd”. De arts en verpleegkundige beseffen dat ook en zorgen dat een psycholoog in de loop van de dag met mij in gesprek gaat. Op afstand krijg ik van mijn lievelingstherapeut tegelijkertijd een healing. Daarnaast wordt een hoestdrankje besteld waarin een slaapmiddel zit. Dit alles bij elkaar maakt dat ik uiteindelijk de slaap weet te vatten. Ondanks dat ik regelmatig gestoord wordt val ik eigenlijk direct weer in slaap. Het doet mij goed. Ik slaap ook de nacht door en voel mij de dag daarna al een iets ander mens.”

“Het contact met familie en vrienden in de dagen die ik in het ziekenhuis heb gelegen is nihil. Ik ben tweehonderd kilometer verderop, mag geen bezoek ontvangen en ik heb zo weinig energie dat ik eigenlijk ook weinig zin heb om contact te hebben. De eerste dagen laat ik mijn vriendin via Whatsapp iedereen op de hoogte houden. In de dagen die daarna volgen krijg ik steeds iets meer energie en neem ik ‘haar werk’ zelf over. Uiteindelijk probeer ik een paar keer per dag met meerdere mensen tegelijkertijd te videobellen. Het is mij namelijk wel duidelijk dat iedereen zich heel veel zorgen maakt. Door te videobellen krijgt iedereen toch een beter beeld van hoe het met je is. Godzijdank bestaat videobellen!
’s Avonds laat staat er een verpleegkundige aan mijn bed. We raken aan de praat en hebben het over deze hele belachelijke toestand. We vragen ons vooral allebei af waar we in godsnaam in terecht zijn gekomen. Op enig moment zag ik dat de verpleegkundige zichtbaar geëmotioneerd raakte. Ze vertelde dat deze hele situatie haar veel deed. Ze was even daarvoor bij een oude man van 92 geweest die niet meer wist waar hij was. Er was nog geen contact met de vrouw van de man geweest. Ze raakte verdrietig van het feit dat die man daar helemaal alleen lag zonder contact met zijn vrouw of familie. Ze prees mij gelukkig dat ik kon videobellen (terwijl dat eigenlijk al niets was in vergelijking met de normale gang van zaken) met familie, maar besefte tegelijkertijd dat videobellen voor deze man en zijn vrouw geen optie zijn. Uit alle verhalen en eigen ervaringen is mij wel heel duidelijk gebleken dat de corona-afdeling een hol van ellende en verdriet is voor patiënten, familie en personeel.”

Langzaam beter

“Ik verblijf uiteindelijk vijf dagen in het ziekenhuis. Nadat ik de slaap kon hervatten krabbel ik elke dag heel langzaam iets vooruit. In de laatste twee dagen word mijn zuurstofondersteuning afgebouwd naar nul. Het voelt fijn om weer losgekoppeld te zijn van die zuurstofslang. Toch voelt het ook een beetje spannend; de afgelopen dagen kon ik namelijk niet zonder die slang. Een verpleegkundige van de ochtenddienst laat mij doorschemeren dat ik vandaag misschien wel naar huis kan als alles goed gaat. En zo geschiedde! Na een aantal laatste controles en een bezoek van de fysiotherapeut die mij veel oefeningen voor thuis heeft meegegeven, mag ik naar huis. Ik bel mijn vriendin met het goede nieuws en bereid haar voor op een rit van 2,5 uur heen en weer 2,5 uur terug. Het doet haar niets! We kunnen elkaar weer zien! Als een marathonloper bij de finish word ik door drie verpleegkundigen bij de uitgang opgewacht. Na wat korte instructies voor het verlaten van het ziekenhuis, de terugreis en het verblijf thuis loop ik in een rechte streep door de hal van het ziekenhuis. Voor ieders veiligheid heb ik een mondkapje gekregen die ik thuis pas mag afzetten. Mijn vriendin staat buiten in de auto te wachten. Ik stap in. Met de tranen in de ogen pakken we elkaars hand vast. Een knuffel en zoen voelt verboden terrein, terwijl we daar allebei zó onwijs veel behoefte aan hebben. We beginnen aan de terugreis. We zijn nog geen vijf kilometer op weg als we beide de conclusie maken dat dat mondkapje voor ons weinig effect heeft. Mijn vriendin heeft immers vóór mijn ziekenhuisopname twee weken lang in de rondvliegende bacillen rondgewandeld. De longarts gaf mij vlak voor vertrek nog mee dat als ik überhaupt nog iets van het virus bij mij droeg, dat alleen dode cellen zouden zijn. Thuis aangekomen vliegen wij elkaar dus in de armen. Zoooo fijn!”

Plasma doneren

“Het is nu 22 mei, bijna negen weken nadat ik het ziekenhuis heb verlaten. Ik ben nog steeds niet aan het werk. Als ik de trap oploop sta ik te hijgen en te piepen als een paard. Bij inspanning voelen mijn benen en armen als spaghetti. Ik ben snel moe en functioneer nog niet op de helft van wat ik deed. Maar, ik ben er nog! Mijn grootste angst; een ic opname, is godzijdank niet aan de orde geweest en ik kan heeeel langzaam weer meer dingen doen. Volgende week start ik met een revalidatietraject. Ik neem al mijn woorden terug die ik vóór de coronacrisis deed: corona is niet zomaar een griepje. Corona is bloedserieus en maakt je heel héél erg ziek. Ik hou mijn hart vast voor de komende periode. Ik ben doodsbang voor een tweede coronagolf door landgenoten die de maatregelen niet serieus nemen en zich vrijheid (wellicht ten koste van anderen) toe eigenen. De komende weken ga ik in ieder geval elke week plasma (met mijn antistoffen) doneren om toekomstige corona collega’s beter te kunnen maken. #StaySafe

Heftig

Dit verhaal komt binnen en het herinnert ons eraan dat we zorgvuldig om moeten gaan met de ruimte die we nu weer krijgen. Stay safe allemaal!

foto boven artikel: Frank Schil


Reageer ook