Ciao buurman: deel 6: Web

ciao_buurman_deel_6.jpg
David: ‘Waardoor we ons ook nog onderscheiden van anderen is het beroep van mijn ouders. Journalist. Dat heeft niemand bij mij op school. Het klinkt heel  spannend en het past in de perfecte kant van mijn leventje. Dan ben ik trots op ze. Want ze spreken meerdere talen en soms mag ik mee naar een beurs. Dat maken andere kinderen nooit mee. Mijn ouders  werken samen. Dat heeft heel  prettige kanten, want ze zijn allebei veel thuis of samen weg. Dat laatste vinden we alledrie ook heel spannend. Dan moeten we alles zelf  doen. Dat komt in Toscane nauwelijks voor.’

We zijn in Italië gaan wonen vanwege het buitenleven. Ik ben al weken binnen bezig. Ons nieuwe huis is bijna zo oud als de weg naar Rome. En zeker zo smerig. Daar sta ik dan, elke morgen op een wankel trapje mij te verbazen hoeveel spinnenwebben een verlaten boerderij kan bevatten. Ik ben bang van spinnen en van hoogtes. Mijn angsten strijden om het hardst als ik zes van die langpoten door mijn haar voel marcheren en van schrik het trapje onder me laat meebewegen. Ik kijk niet, klamp me vast aan mijn boender en rag erop los. Met de hand. Want we hebben geen licht, geen gas, laat staan een telefoon waarmee ik hulp kan inroepen.

Op jacht
Webben wissen is mijn taak en die vat ik serieus op. Zelfs zozeer dat een dagje spinnenjacht toch minstens honderd kadavertjes oplevert. En dan te bedenken dat ik slechts drie van de driehonderd balken heb gereinigd. ‘Waar ben ik aan begonnen?’ verzucht ik ‘s avonds tegen mijn lief. Hij meldt triomfantelijk zijn dagscore: 125 meikevers. En dat in juni!
Ik word er niet blijer van. Natuurlijk heeft hij het zwaarder. Maar op mij wachten nog sluiers van spinrag, in de stal, het wijnhok, de garage en in al die duistere ruimten waar ik niet in durf, terwijl ik dat evenmin durf te bekennen.
Alles kriebelt aan me en in me. Een bad, ik zou mijn leven geven voor een bad. We hebben alleen een koude kraan boven een stenen bakkie in de keuken, dat stinkt naar riool en kattenpis. Want rondom ons stulpje huizen de vele poezen, die alles opvreten, behalve de spinnen dan.

Na een week manhaftig gedrag wankel ik heel vrouwelijk van mijn laddertje. Gat in mijn knie, en een vieze hand die mijn tranen tot modder veegt.
‘Waarom ga je niet weer eens gewoon aan het werk?’ troost mijn lief tactisch. ‘Ga iemand interviewen, Pavarotti of zo.’
Een briljant idee. Tot ik besef dat ik hier helemaal niemand ken die weet waar Pavarotti woont. Affiches genoeg in ons stadje met aankondigingen van grote talenten, die binnenkort optreden in de omgeving. Hoe vind ik de impresario’s, de platenmaatschappijen, de juiste mensen. Waar moet ik beginnen?

Werk
Bij buurman Giorgio. Hij kent iedereen en vice versa. Nadat de kinderen zijn naam verbasterden tot Sjorsjo, heet hij bij ons gewoon Sjors. Hij bekijkt mijn stofbol over zijn halve brilletje heen: ‘Meissie, hier verderop woont een blinde zanger, die graag geïnterviewd wil worden. Hij heeft opgetreden met Zucchero, die zanger die met Pavarotti concerten geeft. Die blinde – Andrea Bocelli heet hij – heeft contacten en zo rol je verder. Tot je, zeg maar, een web hebt.’
Een web! Ik heb er net tientallen vernietigd met mijn stoffertje. Ik liet vijftienhonderd kilometer achter me om me los te scheuren van de gloeiende telefoon en nog geen drie weken later teken ik ongelezen alle brieven om zo’n kreng aan te vragen. Met faxaansluiting. Ik wou natuur en heb nu al een aanvaring met het nuttigste dier op aarde, de spin.

Het grote vernietigen gaat hand in hand met het kleine opbouwen. Ik stift mijn lippen en sta op uitgaan. Naar die blinde zanger, onze eigen regionale vedette. Na een weekje lelijk, ben ik mooi. Dat vindt mijn vent ook. Zijn hand glijdt langs mijn schouder, zijn mond staat op poëtisch. Ik twijfel. Nog een laatste lange kus misschien? Ik buig naar achteren en hoor: ‘Je haar glanst schitterend in de zon, net spinrag.’
De deur van ons nieuwe huis is net niet te oud om de knal te doorstaan waarmee ik vertrek. Op weg naar dat eerste draadje van een web waarin gewoon werken weer heel bijzonder is.

Andrea Bocelli
Huize Bocelli knippert met dichte luiken in een glorende morgen. Ik sluip om het gebouw, tik voorzichtig aan een venster, en als zijn ouders in de woning ernaast de onrust horen, schreeuwt mamma: ‘Andrea, visite!’ Luisteren heeft de blinde coryfee wel geleerd. Direct kiert er verderop een deur. ‘Wie is daar?’ De vrouw van Bocelli grijnst: ‘O ja, interview. We zijn dat nog niet zo gewend. Andrea staat net onder de douche.’
Ik krijg koffie en word binnengelaten in een kamer met veel donker wandmeubilair, waarin talloze vazen, kristal en kleurrijke borden geëtaleerd staan. Andrea pakt – schoongewassen gelukkig! – mijn hand en herkent de lijnen van een week eerder toen ik de afspraak maakte. We praten over het vak, de blindheid, de idealen: echte opera. En bij het afscheid zitten zijn vrouw en ik op de bedrand vakantiekiekjes uit te zoeken die misschien bij het interview geplaatst kunnen worden.
Dat wordt totaal versneden gepubliceerd. Want ik kan wel roepen dat Andrea Bocelli een fenomeen wordt, maar dat geloof je niet zomaar als je geen onderdeel bent van deze leefgemeenschap. Het artikel prijkt als een postzegel in de krant en levert dus niets op, behalve een vriendschap met Bocelli.
Dan komt buurman Sjors. Als eigenaar van de camping, drie winkels, een jeugdherberg, een pizzarestaurant en een danslokaal heeft hij zich opgeworpen tot eerste nieuwsbron van de regio. Sinds kort is dat omgezet in een ware krant, die wekelijks door alle bejaarden onder de arm gekneld wordt. Eindelijk hebben ze weer iets te bekonkelen op hun afgesleten bankjes in de schaduw. Sjors brengt goede wijn mee en nodigt ons uit in zijn pizzeria. ‘In ruil zou je voor mij misschien eventjes dat interview met Bocelli kunnen vertalen.’
Sjors heft het glas voor een laatste stimulerende slogan: ‘Het hoeft niet in perfect Italiaans. Ik maak er wel wat van. Je kunt van mij aannemen dat hij het zelf toch niet leest.’

Wordt vervolgd…..
 
Eerder verschenen bij Damespraatjes
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5

Renée de Haan woont samen met haar man Matthijs Pronker, zonen Marijn
en David en dochter Marije vanaf 1993 in Volterra. Zij is journalist en
publiceert regelmatig in diverse vakbladen. Zij is ook de schrijfster
van ‘To en Ko’.

In 2008 is haar boek ‘Ciao Buurman!’ uitgekomen, waarin ze vertelt over
haar belevenissen in dat eerste jaar in Italië. Bij ieder hoofdstuk
geeft een van de gezinsleden een kijkje vanuit nu naar wat er in dat
hoofdstuk gebeurt.

Belangstelling? Voor de lezers van Damespraatjes geldt een speciale
aanbieding. Via de website www.ciaobuurman.nl kunt u mbv het bestelformulier
het boek met cd bestellen voor slechts 10 euro. Doen!

Vakantiehuizen in Italië

wb_logo.jpg


Reageer ook