Als je haar maar goed zit

In het vinden van een kapper beet ik me de afgelopen jaren vast als een terriër. Mijn haren krullen van nature. Prachtig, maar wijlen mijn moeder zei het al: met een krullenkop heb je beslist een érg goede kapper nodig.

De meeste kappers beginnen aan mijn coupe met een vrolijk knerpende schaar: “Geen probleem hoor. Laat mij maar even met dit bijltje hakken.” Het resultaat is meestal conform deze uitspraak. Na zo’n kappersbezoek voel ik me dagenlang een doodongelukkige poedel. Mijn haar is net een groenteveldje. Pas als alles enige tijd heeft kunnen betijen, doen de krullen eigenzinnig de rest. Net als mijn nagelschaartje.

Tot ik in een dorp verderop onlangs bij toeval kapster Daniëlle uit Alkmaar ontmoette in een voor mij nieuwe kapsalon. Ze bleek zeer goed bekend met het fenomeen krulhaar, doordat ze regelmatig haar Braziliaanse man knipt en hun beide dochters. Dus Daniëlle zei niets, keek, haalde haar handen door mijn lokken, knipte, keek, knipte, kamde, keek, knipte, föhnde en vond het overduidelijk enorm leuk om mij er op mijn voordeligst uit te laten zien. De spiegel reflecteerde een totaal ander mens! YES!! Na gevraagd te hebben op welke dagen zij werkte, vertrok ik. Een goede vriendin fietste die middag langs me heen om pas verderop verrast mijn naam te galmen. Wat een feest! Gedurende weken regende het complimenten, ik groeide bij wijze van spreken tegen de osteoporosekrimp in. Dank, Daniëlle!

Giselle ging dus na verloop van weken fluitend terug naar de bewuste kapperszaak voor een nieuwe knipbeurt. Wat een deceptie. Daniëlle uit Alkmaar had elders werk gevonden… Waar? Dat bleef geheim. “Wij kunnen het ook, hoor en doen het graag voor u.” Dat hoor ik al mijn hele leven. Ik waagde het erop, na de knipster op het hart gedrukt te hebben, dat ik mijn haar liet groeien – ik doe daar inmiddels al vijf jaar over! – en dat er dus helemaal niets van de kruinharen af mocht. Je snapt het al. Gelukkig is het nog winter. Hartstochtelijk draag ik buiten mijn ijsmuts, vooral nu het zo mistig is. Zo niet, dan ben ik weer die poedel, want vooral bovenop is het haar korter geknipt– en dat moet nu juist niet.

Alles heb ik al gehad. Matjes, een jaren ’80 look, een ongewenst a-symmetrisch kapsel, een kroezend waas over het gehele hoofd door het gebruik van een scheermes. Mijn man bewondert me, niet vanwege mijn haar, maar omdat ik elke keer zeg, dat er ergere dingen zijn en dat het weer gewoon zal aangroeien, zodat ik in de herkansing kan…

Vooruit, ik weet bijna niet beter. Tegenwoordig laten krullenbollen weelderig zien wat ze onder de pet hebben. Prachtig. Wat een gemak! Vroeger droegen alle meisjes van de MMS waarop ik zat hun haar net als Marianne Faithfull: lange lokken, scheiding in het midden, als gordijntjes. Voor mij was het bij lange na niet mogelijk mijn haar naar achteren te schudden zoals mijn vriendinnen dat deden. Omstreeks de leeftijd, waarop ik ging kijken naar de jongens, terwijl tegelijkertijd de mode vroeg om een haardracht à la Françoise Hardy – “Tous les garçons et les filles de mon age…” – liep ik voor joker.

Gelukkig leerden kappers hoe ze haren konden ontkrullen. Behendig föhnde ik het met de scheiding in het midden glad. Tijdrovend, maar dan had je ook wat! Uiteindelijk viel het golvend tot over mijn schouders. Kijk ik nu naar de foto’s van toen, dan begrijp ik, waarom mijn ouders mij met dat lange haar nogal kort hielden.

Tijdens mijn studietijd had ik een vriendin die al getrouwd was. Met een kapper. Hij zorgde ervoor, dat ik er altijd perfect (en ontkruld) uitzag – dank je wel Etienne! Jaren later klampte ik in Dordrecht bij de kassa van onze nationale grootgrutter iemand aan met een perfect geknipt krullenkopje. Inmiddels heb ik met haar kapper een bijna dertigjarige relatie, ik bedoel dus een kniprelatie. Mijn Dordste kapkunstenaar wist de schade altijd weer te herstellen of te beperken. Dank je wel, John! Maar hij zit zo ver weg en dan die files… Rest me slechts mijn dagelijkse schietgebedje, want een achternaam heb ik niet: Help me, die top-Daniëlle terug te vinden. Ouder worden is prima, als je haar maar goed zit.

Giselle Ecury werkt aan een nieuwe roman. In 2011 schreef zij de inleiding voor het levensverhaal van een in 1996 overleden psychiater en opende ze aan de universiteit van Berkeley met een autobiografisch verhaal een congres. De andere daar aanwezige literator was Adriaan van Dis. Hun verhalen worden opgenomen in een boek. “Vogelvlucht” is haar laatst verschenen dichtbundel (2011). Eerder verschenen “Terug die tijd” (gedichten, 2004/2005) en de romans “Erfdeel” (2006) en “Glas in lood” (2009). Giselle schrijft regelmatig voor Damespraatjes.

Een gedicht uit  “Vogelvlucht” werd onlangs opgenomen in het boek “De 100 beste gedichten”, dat uitkwam ter gelegenheid van de VSB Poëzieprijs.


Reageer ook