Ka heeft het naar haar zin op de markt

Een oude man staat naast me. Zoekt in zijn broekzak een snotlap om een druppel weg te poetsen. Hij frommelt de rode zakdoek weer in zijn broek. “Jaap! Hoe is het? Wat zal het zijn?” Jaap haalt zijn schouders op. Kijkt in de emmers. “Joh, wat kan jou het schelen wat je neemt, je bent toch nooit thuis.”

Jaap geeft me een por met zijn elleboog. “Dat is Cor. Ken ik al honderd jaar. Ik weet dus wie het zegt,” wijst hij op de bloemenman. Ik grijns. De oude man pakt een bosje rozen. “Als je ze lang goed wilt houden, laat dan het plastic erom heen zitten in de vaas. Klein beetje water.” Jaap kijkt me aan met een blik van ‘laat-maar-zwetsen-die-man’. “Nee zonder dollen, de roosjes even schuin afsnijden. Niet bij de bloemen, maar aan de onderkant hè?” Cor komt niet meer bij van zijn eigen grap. Uit een versleten portemonneetje vist Jaap drie euro. Hij steekt zijn hand op en stiefelt verder. “Wat kan ik voor jou doen, schoonheid?” Ik wijs drie bossen aan die de marktkoopman mengt tot een boeket. Als hij het me geeft, houdt hij mijn hand even vast en kijkt me aan. “Gaat het zo mee, of moet ik ze bij je thuis bezorgen,” lispelt hij.

Als kind kwam ik al op de markt met mijn moeder. Nog steeds vind ik het er leuk. Ik doe er twee keer in de week mijn boodschappen. Hoewel dat bijzaak is want eigenlijk kom ik er omdat ik zo moet lachen om de marktkooplieden.

Vandaag ben ik er niet voor de humor, maar heb ik een missie. Tommie heeft mij gevraagd schaafkaas te kopen. Een groot geel blok waarvan mijn jongste plakjes wil schaven. “Maar wel konijnenkaas meenemen hè, die met die pitjes,” drukt hij me op mijn hart. Ik knik. Ik lust geen kaas. Sterker: ik gruwel ervan en raak het zo min mogelijk aan. Het getuigt van ware liefde dat ik mezelf tegen de kaasboer hoor zeggen: “Een stukje komijn alstublieft.” Ik haal opgelucht adem als ik zie dat ik kan pinnen; dan hoef ik geen wisselgeld aan te nemen waar die man de hele dag met zijn kaashanden aan zit.

Dat was vroeger wel anders. Afrekenen met je pin bestond niet. Soms vroeg mijn moeder twee wijtinkjes te halen voor Poes. Vreselijk vond ik de viskraam. De eigenaar had grote handen en uitpuilende ogen. Hij hield de visjes bij de staart vast. “De koppen draan of draf?” vroeg hij me. Ik slikte. Eraf. Hij pakte een groot en scherp mes en jenste de hoofdjes eraf. Hij floot er een vrolijk liedje bij. Ik betaalde snel en liep weg. “Meiske, wacht, je wisselgeld.” Ik deed of ik hem niet hoorde. Ik zou wel zien hoe ik het mijn moeder zou uitleggen, maar de muntjes die stonken naar vis, hoefde ik niet. Ik vond het verschrikkelijk toen Poes doodging, maar was verlost van de viskraam.

Van de kaaskraam loop ik naar de groentekraam. “Mevroitje, zeg het eens,” wrijft groenteboer Gijs in zijn handen. Een bloemkool. Appels. Bananen. Voor de pompoensoep heb ik pompoen, een pepertje en een winterwortel nodig. Hij gaat aan de slag met mijn bestelling en stopt alles in mijn tas. Ik betaal en draai me om. Gijs roept me. “Schat. Je vergeet het belangrijkste. Je winterwortel. Fijne avond, hè?” knipoogt hij.

Met een rood hoofd loop ik naar mijn fiets. Als ik langs de bloemenkraam loop, hoor ik het nog net. “De roosjes even schuin afsnijden. Niet bij de bloemen, maar aan de onderkant hè?” De deftige dame kijkt Cor nijdig aan. Geen gevoel voor flauwe humor.

 


Reageer ook